ECLI:NL:PHR:2010:BN0517
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende motivering bewijsgebruik getuigenverklaring
In deze zaak werd de verdachte door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor verschillende (pogingen tot) diefstal met geweld. De veroordeling berustte onder meer op de verklaringen van een getuige, die door de verdediging als onbetrouwbaar werd bestreden met een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof gebruikte deze verklaringen echter als bewijs zonder de redenen daarvoor in het bijzonder te motiveren, hetgeen in strijd is met artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en leidt tot nietigheid van het arrest.
Daarnaast werd het bewijs getoetst aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs van de getuigenverklaring onvoldoende steun vond in andere bewijsmiddelen voor enkele tenlastegelegde feiten, waardoor het bewijs niet toereikend was. Voor andere feiten was het bewijs wel voldoende ondersteund.
Verder klaagde de verdediging over het onrechtmatig aftappen van telefoongesprekken, wat volgens het hof geen strafvermindering rechtvaardigde omdat deze gesprekken niet als bewijsmiddel waren gebruikt en de verdachte de bedreiging had bekend. De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering niet begrijpelijk was en vernietigde het arrest daarom ook op dit punt.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het hof te 's-Gravenhage voor hernieuwde berechting op het bestaande beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het bewijsgebruik en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.