ECLI:NL:PHR:2010:BN7103

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01538 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering opgelegd bedrag ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 27 januari 2009 aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €44.710,74. Tegen dit arrest is cassatie ingesteld door de advocaat van betrokkene.

De Hoge Raad heeft in zijn conclusie overwogen dat het cassatieberoep te laat is ingediend, waardoor de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Dit leidt tot een overschrijding van de termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Omdat in de samenhangende strafzaak geen korting is toegepast wegens termijnoverschrijding, acht de Hoge Raad het passend om het opgelegde bedrag aan ontneming te verminderen.

De conclusie strekt ertoe het bestreden arrest te vernietigen voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft, met vermindering conform de gebruikelijke maatstaf, en het beroep voor het overige te verwerpen. Verder zijn geen andere vernietigingsgronden gevonden.

Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming wordt verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 09/01538 P
Mr. Machielse
Zitting 7 september 2010
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft aan betrokkene bij arrest van 27 januari 2009 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat te betalen een bedrag van € 44.710,74.
2. Mr. J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 9 februari 2009 heeft verdachte cassatie ingesteld terwijl de stukken eerst op 5 oktober 2009 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.
3.2 Het middel is terecht voorgesteld. In de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak(1), die (nagenoeg) gelijktijdig hebben gediend(2), heeft de betrokkene als verdachte preventief gedetineerd gezeten. De door de Hoge Raad in dergelijke gevallen op zes maanden gestelde inzendtermijn is met twee maanden overschreden. Ambtshalve merk ik voorts op dat, aangezien vandaag al meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, ook in dat opzicht is overschreden. Nu in de samenhangende strafzaak ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn geen korting heeft plaatsgevonden, zal een en ander er toe dienen te leiden dat de opgelegde betalingsverplichting door de Hoge Raad wordt verminderd.
4. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging dient te leiden.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering daarvan conform de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 In de strafzaak heeft het Hof het Openbaar Ministerie bij arrest van 13 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2 Vgl. HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.5 en HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.6.