ECLI:NL:PHR:2010:BN9463
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Pandrecht op restitutievorderingen na faillissement is toekomstig recht volgens artikel 35 lid 2 Faillissementswet
In deze zaak stond centraal of restitutievorderingen tot terugbetaling van pensioenpremies, gasvoorschotten en frankeertegoed, die na opzegging van contracten door de curator zijn ontstaan, als bestaande of toekomstige vorderingen in de zin van artikel 35 lid 2 Faillissementswet Pro (Fw) moeten worden aangemerkt.
De Bank stelde dat deze vorderingen reeds bestonden op het moment van faillissement en dus onder haar pandrecht vielen. De curator betwistte dit en stelde dat de vorderingen pas door de opzeggingen ontstonden, en daarmee toekomstige vorderingen zijn waarop het pandrecht niet van toepassing is.
De rechtbank wees de vorderingen van de Bank af en kwalificeerde de restitutievorderingen als toekomstige vorderingen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het ontstaan van deze vorderingen afhankelijk is van een rechtshandeling van de curator (de opzegging), waardoor zij niet als bestaande vorderingen kunnen worden beschouwd. Dit sluit aan bij de rechtspraak dat vorderingen die afhankelijk zijn van een wilsverklaring van de crediteur als toekomstige vorderingen gelden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Bank en bevestigde dat het pandrecht op deze restitutievorderingen niet reeds vóór faillissement kon worden gevestigd. Hiermee wordt de bescherming van de faillissementsboedel en de verdeling tussen separatisten en niet-separatisten gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat restitutievorderingen na opzegging door de curator als toekomstige vorderingen gelden en dat de Bank geen pandrecht op deze vorderingen kon vestigen vóór faillissement.