ECLI:NL:PHR:2010:BO1821
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet na onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling en detentie
In deze zaak stond centraal of een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van een werknemer, die als gevolg daarvan zijn werk verzuimt door detentie, een dringende reden vormt voor ontslag op staande voet. De werknemer, werkzaam bij ABN AMRO, werd veroordeeld wegens ernstig seksueel misbruik en zat een gevangenisstraf uit. ABN AMRO sprak ontslag op staande voet uit nadat het hoger beroep werd ingetrokken en de veroordeling onherroepelijk werd.
De kantonrechter verklaarde het ontslag nietig en veroordeelde ABN AMRO tot toelating van de werknemer tot het werk na detentie en tot betaling van loon. Het hof vernietigde dit vonnis deels en oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat het enkele feit van detentie en werkverzuim niet voldoende was zonder nadere omstandigheden.
De Hoge Raad bevestigde dat bij de beoordeling van ontslag op staande voet alle omstandigheden van het geval in samenhang moeten worden meegewogen. Het enkele feit van detentie en werkverzuim is niet per definitie een dringende reden. Ook de ernst van het delict, de relatie tot het werk, de gevolgen voor de werkgever, de duur van het dienstverband, en de leeftijd van de werknemer spelen een rol. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van ABN AMRO en bevestigde het oordeel van het hof dat het ontslag niet rechtsgeldig was.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig omdat detentie en veroordeling niet zonder meer een dringende reden vormen.