ECLI:NL:PHR:2010:BO3644
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onroerend karakter van havenkranen voor overdrachtsbelasting
Belanghebbende verkreeg op 3 mei 2004 de economische eigendom van twee havenkranen die op een terrein in de Rotterdamse haven stonden. De vraag was of deze kranen onroerend waren in de zin van artikel 2, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBRV), wat overdrachtsbelasting zou doen verschuldigd zijn.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de kranen onroerend waren omdat zij duurzaam met de grond verenigd zijn. Dit oordeel baseerden zij op civielrechtelijke criteria, waarbij het van belang is of het werk naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en of deze bestemming naar buiten kenbaar is. De kranen waren geplaatst op rails en maakten visueel en functioneel deel uit van het bedrijfsterrein. Hoewel zij technisch verplaatsbaar waren en er een voornemen tot verhuizing bestond, was dit niet naar buiten kenbaar uit de aard en inrichting van de kranen zelf.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, verwijzend naar het Woonark-arrest waarin een drijvende woonark als roerende zaak werd aangemerkt. De Advocaat-Generaal concludeert dat de maatstaf van het Portacabin-arrest nog steeds geldt en dat de kranen als onroerende zaken moeten worden aangemerkt omdat zij duurzaam met de grond verenigd zijn. Tevens wordt geoordeeld dat de verkrijging van de juridische eigendom krachtens het opstalrecht niet als verkrijging in de zin van de WBRV geldt, waardoor de vrijstelling van artikel 9, lid 4, WBRV niet van toepassing is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de havenkranen onroerende zaken zijn en dat overdrachtsbelasting verschuldigd is over de verkrijging van de economische eigendom.