ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7311
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Havenkranen bestemd als onroerende zaken voor overdrachtsbelasting
Belanghebbende exploiteert een expeditie- en opslagbedrijf en huurde een terrein van de gemeente Rotterdam. In 2002 werden twee grote containerkranen op het terrein geplaatst, die in 2004 juridisch en economisch eigendom werden van belanghebbende. De vraag was of deze kranen onroerend waren in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de kranen duurzaam met de grond verenigd zijn, omdat zij naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, ondanks dat zij technisch verplaatsbaar zijn. De bedoeling van belanghebbende om de kranen later te verplaatsen was niet naar buiten kenbaar en vormt geen bijzondere omstandigheid die de onroerendheid beïnvloedt.
Het hof concludeerde dat de kranen onroerende zaken zijn volgens artikel 3:3 BW Pro en dat de vrijstelling van artikel 9, vierde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de havenkranen worden aangemerkt als onroerende zaken, waardoor de vrijstelling overdrachtsbelasting niet van toepassing is.