De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage inzake een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd aan belanghebbende, een gemeente, met betrekking tot kunstgras- en asfaltvelden die onder terbeschikkingstelling van grond door derden zijn vervaardigd.
De Hoge Raad verwees in een eerder arrest prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 8 november 2012 een arrest wees waarin werd geoordeeld dat het bestemmen van velden voor een vrijgestelde economische activiteit onder bepaalde voorwaarden kan leiden tot heffing van omzetbelasting over de som van de waarde van de grond en de kosten van bewerking, mits hierover nog geen belasting was betaald en de terreinen niet onder de vrijstelling vallen.
Naar aanleiding van dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door de Wet op de omzetbelasting 1968 in strijd met de Zesde richtlijn toe te passen. De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest voor zover de naheffingsaanslag werd vernietigd en vermindert de aanslag tot €116.099, waarbij wordt aangenomen dat geen omzetbelasting was betaald over de grondverwerving.
Proceskosten worden niet aan de wederpartij opgelegd. De uitspraak is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.