ECLI:NL:PHR:2011:BN8728
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid conserverende aanslag bij emigratie pensioen volgens Verdrag Nederland-België 2001
Belanghebbende emigreerde in 2003 van Nederland naar België en kreeg een conserverende aanslag opgelegd op de waarde van zijn opgebouwde pensioenaanspraken volgens artikel 3.83 Wet IB 2001. Hij betwistte deze aanslag, stellende dat deze in strijd was met het belastingverdrag Nederland-België 2001 en het beginsel van goede trouw.
De Rechtbank en het Hof oordeelden aanvankelijk verschillend over de rechtmatigheid van de aanslag. Het Hof stelde dat de aanslag en revisierente in strijd waren met de goede trouw bij de uitleg van het verdrag, omdat Nederland de heffing over toekomstige pensioentermijnen naar voren zou halen.
De Minister van Financiën stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Procureur-Generaal concludeerde dat de conserverende aanslag niet in strijd is met het verdrag, omdat bij de totstandkoming van het Verdrag Nederland-België 2001 reeds rekening was gehouden met de conserverende aanslag en de regeling een evenwichtige verdeling van heffingsrechten waarborgt. De aanslag betreft een voorwaardelijke belastingschuld die pas onvoorwaardelijk wordt bij niet-reguliere afwikkeling van het pensioen.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het arrest van het Hof, waarmee de aanslag en bijbehorende maatregelen rechtmatig zijn. Het incidentele beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat de conserverende aanslag op pensioenaanspraken bij emigratie naar België rechtmatig is.