ECLI:NL:PHR:2011:BP2311
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindigingsovereenkomst bij reorganisatie en ondubbelzinnige instemming werknemer
In deze zaak staat centraal of tussen ABN AMRO en een werknemer een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen in het kader van een reorganisatie met een collectief aanbod voor vrijwillige beëindiging met een stimuleringspremie.
De werknemer had een aanvraagformulier ingediend waarin hij koos voor beëindiging van het dienstverband met een vergoeding. ABN AMRO stelde dat hiermee een overeenkomst was gesloten, terwijl de werknemer dit betwistte en stelde dat hij slechts een verzoek tot aanbod had gedaan. Het hof oordeelde dat het indienen van het aanvraagformulier een ondubbelzinnige instemming inhield met het collectieve aanbod en dat daarmee de overeenkomst tot stand kwam.
De Hoge Raad bevestigt dat op grond van de algemene regels van contractsvorming en de bijzondere positie van de werknemer, de werkgever slechts mag vertrouwen op instemming als duidelijkheid is verschaft over de inhoud en de werknemer bewust heeft ingestemd. In dit geval was de informatievoorziening adequaat en was het indienen van het formulier een duidelijke instemming. De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt dat de werknemer aan de beëindigingsovereenkomst is gehouden.
De uitspraak benadrukt dat een collectief aanbod aan werknemers in een reorganisatiepraktijk toelaatbaar is, mits per individuele werknemer kan worden vastgesteld dat instemming ondubbelzinnig is. Ook is geen afzonderlijke schriftelijke ondertekening van de beëindigingsovereenkomst vereist om tot een geldige overeenkomst te komen. De zaak illustreert de toepassing van algemene verbintenissenrechtelijke regels op arbeidsrechtelijke beëindigingsovereenkomsten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen door het indienen van het aanvraagformulier.