ECLI:NL:PHR:2011:BP5672
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling bij gesplitste aankoop van vruchtgebruik en blote eigendom
Belanghebbende heeft in de jaren 1997 en 1998 aandelen verworven in de economische blote eigendom van onroerende zaken, terwijl vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft het vruchtgebruik behielden. De vraag was of deze situatie valt onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De Rechtbank Breda oordeelde dat ondanks onzekerheid over de toepasselijkheid van artikel 3.92 in gevallen waarin het vruchtgebruik nooit bij de aanmerkelijkbelanghouder berust, de regeling wel van toepassing is. Dit volgt uit een ruime uitleg van het begrip 'ter beschikking stellen' en de wetsgeschiedenis, die beoogt belastingarbitrage te voorkomen.
In cassatie voerde belanghebbende aan dat de regeling niet van toepassing is omdat hij nooit eigenaar was van de vermogensbestanddelen en deze dus niet ter beschikking kon stellen. De Hoge Raad verwierp dit verweer, bevestigde de ruime uitleg van het begrip ter beschikking stellen, en verwees naar wetsgeschiedenis, beleidsbesluiten en jurisprudentie die het vestigen of hebben van genotsrechten als ter beschikking stellen aanmerkt.
De conclusie van de Advocaat-Generaal ondersteunt de uitspraak van de Rechtbank en benadrukt dat de regeling ook geldt voor gesplitste aankopen waarbij de vennootschap het vruchtgebruik heeft en de aanmerkelijkbelanghouder de blote eigendom. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond, waarmee de Rechtbankuitspraak stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de terbeschikkingstellingsregeling is van toepassing op de gesplitste aankoop van vruchtgebruik en blote eigendom.