ECLI:NL:HR:2010:BL7276
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Geen onderscheid tussen tijdelijke en niet-tijdelijke genotsrechten in terbeschikkingstellingsregeling
Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd over 2001, die na bezwaar en beroep bij rechtbank en hof gedeeltelijk werd vernietigd en verminderd. Het geschil betrof de vraag of het vestigen van een recht van vruchtgebruik voor 30 jaar ten behoeve van een rechtspersoon als rendabel maken van een vermogensbestanddeel geldt in de zin van artikel 3.92 lid 1 sub a Wet IB 2001.
Het hof oordeelde bevestigend en verwierp het standpunt van belanghebbende dat dit niet als rendabel maken kan worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de wetgever geen onderscheid maakt tussen tijdelijke en niet-tijdelijke genotsrechten in de terbeschikkingstellingsregeling. Dit volgt uit de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 3.92 en artikel 5.22 Wet IB 2001.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat het recht van vruchtgebruik voor 30 jaar ten behoeve van een rechtspersoon terbeschikkingstelling inhoudt en belast kan worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.