ECLI:NL:PHR:2010:BL7276
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing terbeschikkingstellingsregeling op bloot eigendom met vruchtgebruik ten behoeve van aanmerkelijkbelanghouder
Belanghebbende, bloot eigenaar van registergoederen waarop vruchtgebruik is gevestigd ten behoeve van zijn aanmerkelijkbelanghoudende BV, betwistte toepassing van artikel 3.92 Wet IB 2001 op de waardeaangroei van de bloot eigendom. De Inspecteur had de waardeaangroei als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 belast. De Rechtbank en het Hof oordeelden dat het vestigen van vruchtgebruik als ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel geldt en dat het onderscheid tussen tijdelijke en niet-tijdelijke genotsrechten niet relevant is onder de Wet IB 2001.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en stelt dat de wetsgeschiedenis en het doel van de regeling een economische benadering vereisen waarbij de civielrechtelijke vorm niet doorslaggevend is. Het begrip 'rendabel maken' sluit incidentele, van gering belang zijnde terbeschikkingstellingen uit, maar omvat het vollopen van de waarde van de bloot eigendom. De eerdere jurisprudentie onder de Wet IB 1964, die onderscheid maakte tussen tijdelijke en niet-tijdelijke genotsrechten, verliest onder de nieuwe wet zijn betekenis.
De Hoge Raad concludeert dat het vestigen van vruchtgebruik voor de maximale termijn van dertig jaren aanmerkelijkbelanghouders onder artikel 3.92 Wet IB 2001 valt en dat de waardeaangroei van de bloot eigendom als belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden aangemerkt. De klacht van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en artikel 3.92 Wet IB 2001 is van toepassing op de waardeaangroei van bloot eigendom met vruchtgebruik ten behoeve van een aanmerkelijkbelanghouder.