ECLI:NL:PHR:2011:BP8932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing over rente uit hoofde van keuzelegaat en legitieme portie
Belanghebbende had een onderbedelingsvordering op zijn moeder, die rente droeg en opeisbaar werd bij haar overlijden in 2005. Kort voor haar overlijden had zij een nieuw testament gemaakt waarin de zuster van belanghebbende was benoemd tot enig erfgenaam en belanghebbende slechts zijn legitieme portie kreeg toegekend. Belanghebbende stelde dat de rente niet volledig tot het belastbare inkomen behoorde op grond van een uitzondering in artikel AK, lid 4, van de Invoeringswet Wet IB 2001.
De Rechtbank en het Gerechtshof verwierpen dit standpunt en oordeelden dat belanghebbende ten tijde van het overlijden van zijn moeder geen erfgenaam was maar een crediteur, waardoor de uitzondering niet van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wetgever een strikte uitleg van de uitzondering voor overbedelingsschulden beoogde. De rente uit hoofde van het keuzelegaat valt niet onder deze uitzondering en blijft belast als inkomen uit werk en woning.
Belanghebbende voerde ook aan dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel had geschonden, maar dit werd eveneens verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de brief van de staatssecretaris van Financiën geen toezegging bevatte die op zijn situatie van toepassing was. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de rente blijft belast als inkomen uit werk en woning.