ECLI:NL:PHR:2011:BQ0451
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdragsrechtelijke kwalificatie van restbegunstigingsuitkering in belastingverdrag Nederland-Duitsland
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, ontving een restbegunstiging uit een pensioenpolis van zijn overleden vader, die in Nederland arbeid had verricht. De Inspecteur hield loonheffing in, maar belanghebbende maakte bezwaar en kreeg in eerste aanleg en hoger beroep gelijk: de uitkering zou onder artikel 12 van Pro het belastingverdrag Nederland-Duitsland vallen en aan Duitsland toekomen.
De Hoge Raad onderzocht of de restbegunstiging als pensioen of als loon uit vroegere dienstbetrekking moest worden gekwalificeerd. Uit jurisprudentie en verdragsuitleg volgt dat pensioenen periodieke uitkeringen zijn die voorzien in levensonderhoud en verzorging na beëindiging van arbeid, terwijl restbegunstigingen eenmalige kapitaalsuitkeringen zijn aan erfgenamen zonder verzorgingskarakter.
De Hoge Raad concludeert dat de restbegunstiging niet onder artikel 12 valt Pro omdat zij niet strekt tot voorziening in levensonderhoud en niet aan pensioengerechtigden toekomt. De uitkering valt onder artikel 10 als Pro loon uit vroegere dienstbetrekking en is daarom in Nederland belastbaar. De eerdere uitspraken van Rechtbank en Hof worden vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken en bevestigt dat de restbegunstiging in Nederland belastbaar is onder artikel 10 van het belastingverdrag Nederland-Duitsland.