ECLI:NL:HR:2011:BQ0451
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Verdragsrechtelijke kwalificatie van restbegunstigingsuitkering onder Nederland-Duitsland belastingverdrag
Belanghebbende, inwoner van Duitsland, ontving in mei 2006 een restbegunstigingsuitkering als erfgenaam van zijn in 2005 overleden vader. De pensioenverzekeraar hield hierover loonheffing in. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze inhouding, dat door de Inspecteur werd afgewezen. De Rechtbank Breda en het Hof bevestigden echter dat de inhouding onterecht was, omdat de uitkering volgens hen onder artikel 12 van Pro het belastingverdrag viel en daardoor in Duitsland belast moest worden.
De Hoge Raad stelde vast dat de restbegunstigingsuitkering niet het periodieke karakter van een pensioen heeft en ook niet soortgelijk is aan wachtgeld of andere uitkeringen die onder artikel 12 vallen Pro. De kwalificatie van de uitkering volgens Nederlands recht is niet beslissend; het gaat om de aard van de uitkering volgens het verdrag. De restbegunstiging valt daarom onder de hoofdregel van artikel 10 van Pro het verdrag.
Hierdoor is Nederland bevoegd loonheffing te heffen over deze uitkering. De Hoge Raad vernietigde de eerdere uitspraken en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de restbegunstigingsuitkering niet onder artikel 12 valt en bevestigt de bevoegdheid van Nederland tot heffing van loonbelasting op deze uitkering.