ECLI:NL:PHR:2011:BQ3673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitleg 'bij de belastingwet voorziene aangifte' en vernietigt deel veroordeling medeplegen belastingaangifte niet doen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften en het niet doen van aangiften, waardoor te weinig belasting werd geheven.
De Hoge Raad bevestigt dat onder het begrip 'bij de belastingwet voorziene aangifte' ook onverplichte aangiften vallen, hetgeen betekent dat aangiften die niet via een officieel uitgereikt aangiftebiljet zijn gedaan, toch als zodanig kunnen gelden. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en de uitleg van artikel 69 AWR Pro.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte opzettelijk geen aangifte omzet- en loonbelasting heeft gedaan over de maanden februari, maart en april 2003. De aangiften die over deze maanden zijn ingediend, waren op naam van de natuurlijke persoon, niet van de BV, en het hof heeft niet duidelijk gemaakt dat er aangiftebiljetten aan de BV zijn uitgereikt die niet zijn geretourneerd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het gaat om de bewezenverklaring en strafoplegging voor het niet doen van deze aangiften en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem voor hernieuwde beoordeling. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor het niet doen van bepaalde aangiften en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem voor hernieuwde beoordeling.