Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Beperking van de conclusie tot het incidentele beroep in cassatie
nietvaststaat dat belanghebbende correct is uitgenodigd om die aangifte te doen (2.5-2.6). In wezen is daarmee uitgangspunt dat belanghebbende spontaan aangifte heeft gedaan, i.e. een aangifte zonder dat belanghebbende was uitgenodigd tot het doen daarvan.
onderdeel 4ga ik kort in op de verplichting tot het doen van aangifte. Tevens komt aan bod de relatief nieuwe regeling van art. 9(4) AWR over de spontane aangifte.
Onderdeel 6bevat een vergelijkbare analyse maar dan voor de strafrechtelijke sancties van art. 69(1) AWR en van art. 69(2) AWR. Degene die vooral geïnteresseerd is in de bevindingen van mijn analyse, kan deze kort samengevat terugvinden in
8.7.
onderdeel 7komen aan bod het artikellid waar het in de zaak om gaat (art. 67e(1) AWR), wetsgeschiedenis daarvan, en opvattingen in de feitenrechtspraak en de literatuur over de centrale vraag.
2.De feiten en het oordeel van het Hof
3.Het geding in cassatie
4.Aangifteverplichting
Inleiding
nietvaststaat dat belanghebbende op de voorgeschreven wijze is uitgenodigd om de aangifte 2017 te doen (2.6).
eersteopmerking is de volgende. Hoewel de arresten waarin dat vereiste naar voren komt, als ik het goed zie, [34] steeds gevallen betreffen van gevalstype (i), te weten het geval van het niet-doen van aangifte, vraag ik mij af of het uitnodigingsvereiste alleen geldt voor dat gevalstype, dan wel of het geldt voor het niet-doen van de vereiste aangifte in het algemeen (in de context van art. 27e AWR), dus ook voor gevalstype (ii), te weten het geval van het doen van een inhoudelijk onjuiste aangifte. Ik zie verschillende aanknopingspunten voor de juistheid van de tweede opvatting. [35] Een eerste aanknopingspunt is de tekst van bijvoorbeeld HR BNB 2016/192. Daarin wordt in het algemeen gesproken over “het niet doen van de vereiste aangifte” in de zin van art. 27e AWR, dus niet beperkt tot het geval van het niet-doen van aangifte. Een tweede aanknopingspunt is de ratio van het vereiste. Daarmee kom ik bij mijn tweede opmerking.
tweedeopmerking is dat de ratio van het vereiste dat de betrokkene is uitgenodigd tot het doen van aangifte, naar mij voorkomt te maken heeft met de aard van art. 27e AWR. Die bepaling voorziet in een (“zware processuele”) sanctie voor het schenden van medewerkings-verplichtingen, waaronder de verplichting om de vereiste aangifte te doen. [36] De ratio van het uitnodigingsvereiste is dus principiëler dan het bieden van duidelijkheid over de aangifteplicht: zonder uitnodiging om aangifte te doen, ís er geen verplichting om aangifte te doen, en als er geen verplichting bestaat, is er geen te sanctioneren schending daarvan. Met deze ratio strookt dat het vereiste dat de betrokkene is uitgenodigd tot het doen van aangifte ook geldt voor gevalstype (ii), te weten het doen van een inhoudelijk onjuiste aangifte. Want als de verplichting om aangifte te doen niet bestaat, kan bezwaarlijk worden gezegd dat met een spontane aangifte die verplichting is geschonden, hoezeer die aangifte wellicht inhoudelijk ook onjuist is. De notie dat het bij het niet-doen van de vereiste aangifte moet gaan om schending van een verplichting komt ook terug in HR BNB 2022/55, waarin de Hoge Raad in de kern oordeelt dat aangezien de belanghebbende is uitgenodigd om aangifte in de IB/PVV te doen als
buitenlandsbelastingplichtige, aan de omstandigheid dat de belanghebbende geen aangiften als
binnenlandsbelastingplichtige heeft gedaan niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat hij niet de vereiste aangiften heeft gedaan. [37]
is geheel gekoppeld aan de aangifte die behoort te worden gedaan. Navordering, en bijgevolg de boete bij navordering, is niet alleen aan de orde indien een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ook anderszins kan te weinig belasting zijn geheven. Dat wil zeggen dat andere gedragingen
dan vergrijpen tegen de aangifteplichtten gevolge hebben gehad dat de schatkist in eerste instantie tekort is gedaan.”
mutatis mutandis,over het niet van toepassing zijn van het aanmaningsvereiste bij het geval van een inhoudelijk onjuiste aangifte in het kader van de sanctie van omkering van de bewijslast.
onthoudenvan de juiste inlichtingen aan de inspecteur. De Hoge Raad laat zich niet uit over het geval van het opzettelijk
verstrekkenvan onjuiste inlichtingen. De Hoge Raad overweegt wel dat het achterwege laten van onverplichte informatieverstrekking niet kan leiden tot het verwijt van kwade trouw, maar dat zegt niets over de vraag of het onverplicht verstrekken van onjuiste informatie kan leiden tot het verwijt van kwade trouw. Meer specifiek: de Hoge Raad laat zich niet erover uit of het spontaan doen van aangifte (i.e. zonder uitgenodigd te zijn tot het doen van aangifte) die onjuiste informatie bevat, kan leiden tot kwade trouw.
7.Art. 67e AWR
8.Beschouwing
Omkering van bewijslast ex art. 27e AWR. Van het niet doen van de vereiste aangifte kan alleen sprake zijn indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (5.4). Ik meen dat dit geldt voor het niet doen van de vereiste aangifte in het algemeen, dus niet alleen voor het gevalstype van niet-doen van aangifte, maar ook voor het gevalstype van het doen van een inhoudelijk onjuiste aangifte (5.6-5.9). Voor het eerste gevalstype geldt bovendien een aanmaningsvereiste (5.10-5.11). Dat vereiste geldt naar mijn mening niet voor het tweede gevalstype (5.12-5.13).
Verzuimboete ex art. 67a AWR voor het niet (tijdig) doen van aangifte. Hiervoor geldt zowel een uitnodigings- als een aanmaningsvereiste (5.14-5.16).
Vergrijpboete ex art. 67d AWR voor het niet dan wel onjuist of onvolledig doen van aangifte.Van het niet doen van aangifte is alleen sprake indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (5.19). Ik meen dat dit ook geldt voor het onjuist of onvolledig doen van aangifte (5.21). Anders dan ter zake van het niet doen van aangifte (5.24), geldt naar mijn mening ter zake van het onjuist of onvolledig doen van aangifte niet het aanmaningsvereiste (5.26).
Kwade-trouwuitzondering in art. 16 AWR Pro.Het opzettelijk
onthoudenvan de juiste inlichtingen aan de inspecteur kan slechts worden aangenomen indien op de belastingplichtige een wettelijke verplichting rustte om de desbetreffende gegevens aan de inspecteur te verstrekken, zoals gegevens waarvan in de uitnodiging tot het doen van aangifte wordt verlangd dat die bij de aangifte worden vermeld (5.28). Ik meen dat daarentegen van het opzettelijk
verstrekkenvan onjuiste inlichtingen sprake kan zijn ook indien de belastingplichtige de inlichtingen heeft verstrekt zonder daartoe verplicht te zijn (5.29-5.30).
Strafrechtelijke sanctie ex art. 69(1) AWR voor het niet (tijdig) doen van aangifte. Van het niet-doen van ‘een bij de belastingwet voorziene aangifte’ kan alleen sprake zijn indien de inspecteur de vermoedelijke belastingplichtige heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (6.2-6.3).
Strafrechtelijke sanctie ex art. 69(2) AWR voor het onjuist of onvolledig doen van aangifte. Van het onjuist of onvolledig doen van ‘een bij de belastingwet voorziene aangifte’ kan ook sprake zijn indien de betrokkene voor zichzelf aangifte doet zonder uitgenodigd te zijn tot het doen van die aangifte (6.7-6.11).
AWRwat betreft delictsomschrijving (8.3), (ii) de wetsgeschiedenis waarin het verschil wordt onderkend dat art. 67d(1) AWR anders dan art. 67e(1) AWR aanknoopt bij de aangifteplicht (vgl. 8.4-8.5) en (iii) de uit de wetsgeschiedenis blijkende bedoeling dat bij navordering een vergrijpboete kan worden opgelegd, mits sprake is van opzet of grove schuld (8.6).