ECLI:NL:PHR:2011:BQ4686
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij milieuovertreding inzake vergunningaanvraag
In deze zaak stond de vraag centraal hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld bij een overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, waarbij de veroordeelde zonder vergunning groenafval opsloeg en bewerkte. Het hof had het voordeel geschat op € 2.500, de kosten van de vergunningsaanvraag die de veroordeelde had bespaard door de vergunning niet tijdig aan te vragen.
De verdediging voerde aan dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door het voordeel uitsluitend te baseren op deze kostenbesparing en verwees naar eerdere arresten van de Hoge Raad, waaronder het Urker visafslag-arrest. De Hoge Raad overwoog dat het wederrechtelijk verkregen voordeel kan bestaan uit de bespaarde kosten en dat het niet noodzakelijk is om te vergelijken met een hypothetische legale situatie.
De Hoge Raad maakte onderscheid tussen situaties waarin de kernactiviteiten op zichzelf onrechtmatig zijn en situaties waarin alleen de vergunningplicht niet is nageleefd. In het laatste geval is het redelijk om het voordeel te bepalen op de bespaarde kosten. Het hof had in deze zaak terecht geoordeeld dat de activiteiten zelf niet illegaal waren, maar slechts de vergunning ontbrak, waardoor het voordeel beperkt kon blijven tot de bespaarde vergunningskosten.
Het cassatieberoep werd verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en de motivering begrijpelijk was. De Hoge Raad bevestigde hiermee de rechtspraak omtrent de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij milieudelicten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op de bespaarde vergunningskosten van € 2.500.