ECLI:NL:PHR:2011:BR7049
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het heffingvrije vermogen in de vermogensrendementsheffing voor niet-ingezetenen in het kader van het Belgisch-Nederlandse belastingverdrag en EU-recht
Belanghebbende, woonachtig in België, maakte bezwaar tegen de weigering van de Nederlandse belastingdienst om het heffingvrije vermogen en de ouderentoeslag toe te kennen bij de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) over het jaar 2004.
De Rechtbank Breda gaf belanghebbende deels gelijk en kende de ouderentoeslag toe, maar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch verklaarde het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond. Het Hof oordeelde dat de pro rata-regeling uit artikel 26 van Pro het Belgisch-Nederlandse belastingverdrag van toepassing is, en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij recht had op het volledige heffingvrije vermogen.
In cassatie bevestigde de Hoge Raad dat de vermogensrendementsheffing moet worden aangemerkt als een belasting naar het inkomen en dat het heffingvrije vermogen een persoonlijke tegemoetkoming is die pro rata wordt toegekend aan niet-ingezetenen op basis van hun wereldinkomen. De Hoge Raad verwijst naar de Schumacker-doctrine en relevante arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en concludeert dat Nederland niet verplicht is het volledige heffingvrije vermogen toe te kennen aan niet-ingezetenen die minder dan 90% van hun inkomen in Nederland verwerven. Er is geen sprake van verboden discriminatie onder het EU-recht zolang de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige uiteindelijk volledig en naar behoren in aanmerking wordt genomen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het heffingvrije vermogen pro rata wordt toegekend aan niet-ingezetenen en wijst het beroep van belanghebbende af.