ECLI:NL:PHR:2011:BS1729
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid van binnentreden politie zonder machtiging bij vermoedelijke inbraak
De zaak betreft de vraag of politieambtenaren rechtmatig een woning mochten binnentreden zonder schriftelijke machtiging op grond van artikel 2 lid 3 van Pro de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). De politie trad de woning binnen na een melding dat de voordeur openstond, zonder dat er direct sprake was van een heterdaad situatie of duidelijk ernstig en onmiddellijk gevaar.
De verdediging stelde dat het binnentreden onrechtmatig was omdat geen noodsituatie bestond en dat het bewijs dat hieruit voortkwam, waaronder aangetroffen softdrugs en verklaringen van verdachte, uitgesloten dienden te worden. Het Hof oordeelde echter dat de politie redelijkerwijs mocht aannemen dat er sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar, mede vanwege de openstaande deur en braakschade.
De Hoge Raad stelt dat het Hof onvoldoende feitelijke grondslag en motivering heeft gegeven voor deze aannames. De enkele mogelijkheid van een noodsituatie is onvoldoende om af te wijken van de hoofdregel dat een schriftelijke machtiging vereist is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande dossier.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de rechtmatigheid van het binnentreden.