ECLI:NL:PHR:2011:BU2834
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij verzoek tot teruggeleiding van ontvoerd kind onder HKOV
De zaak betreft een geschil over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse voorzieningenrechter om kennis te nemen van een vordering tot teruggeleiding van een kind dat beweerdelijk ongeoorloofd is overgebracht naar België. De man en vrouw waren gehuwd en hadden gezamenlijk gezag over het kind, dat in België woonde. Na een verblijf bij de vrouw weigerde zij het kind terug te brengen naar de man in Nederland.
De voorzieningenrechter in Breda wees de vordering van de man toe en achtte zich bevoegd op grond van artikel 10 van Pro de Brussel IIbis-Verordening. De Hoge Raad stelt echter dat deze bepaling niet ziet op de specifieke spoedprocedure van het HKOV. Volgens de Hoge Raad kan een verzoek tot teruggeleiding van een kind dat ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden, uitsluitend worden ingediend bij de rechter van de verdragsstaat waar het kind zich bevindt.
De Hoge Raad baseert dit op de tekst en opzet van het HKOV, de rol van de centrale autoriteiten en de jurisprudentie. Het verdrag kent een 'mixed system' waarbij de centrale autoriteiten een rol spelen, maar ook directe gerechtelijke procedures mogelijk zijn, waarbij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt exclusief bevoegd is. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter Breda wegens strijd met het HKOV.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter Breda en bepaalt dat alleen de rechter van de staat waar het kind zich bevindt bevoegd is tot teruggeleiding onder het HKOV.