ECLI:NL:PHR:2012:BQ6098
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onttrekking aan douanetoezicht en douaneschuld bij overschrijding vervoerstermijn extern communautair douanevervoer
Belanghebbende bracht een motor onder de regeling extern communautair douanevervoer, maar bracht deze pas ruim twee weken na het verstrijken van de vervoerstermijn bij het douanekantoor van bestemming aan. De vraag was of dit een onttrekking aan het douanetoezicht opleverde (artikel 203 CDW Pro) of dat sprake was van een verzuim dat een douaneschuld tot gevolg had (artikel 204 CDW Pro).
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat geen sprake was van onttrekking aan het douanetoezicht, aangezien de douaneautoriteiten feitelijk altijd toegang hadden tot de goederen en de overschrijding van de termijn niet leidde tot het ontbreken van controlemogelijkheden. Wel was sprake van een verzuim, maar dit werd als zonder werkelijke gevolgen beschouwd omdat de goederen alsnog binnen een redelijke termijn waren aangebracht en er geen duidelijke nalatigheid was.
De Minister stelde in cassatie dat het Hof het recht had geschonden door onttrekking te ontkennen en het verzuim als zonder gevolgen te beschouwen. De Advocaat-Generaal concludeert dat het begrip onttrekking extensief wordt uitgelegd door het Hof van Justitie, maar dat de specifieke omstandigheden van deze zaak niet leiden tot onttrekking. Bij twijfel wordt voorgesteld een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Tevens wordt bevestigd dat omzetbelasting alleen verschuldigd is bij onttrekking, niet bij louter verzuim.
De conclusie is dat het enkele overschrijden van de vervoerstermijn primair een verzuim is dat onder artikel 204 CDW Pro valt en dat terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting moet worden verleend indien aan de voorwaarden van artikel 859 UCDW Pro is voldaan. De zaak wordt geschorst voor prejudiciële beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad concludeert dat het enkele overschrijden van de vervoerstermijn geen onttrekking aan het douanetoezicht vormt en stelt voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen.