ECLI:NL:PHR:2012:BR0400
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van art. 36e, zesde lid, Sr bij voordeelsontneming en civiele schadevergoeding
In deze zaak stond de toepassing van artikel 36e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht centraal, dat regelt hoe de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld bij voordeelsontneming. De casus betrof een criminele organisatie die zonder vergunning als effectenmakelaar opereerde, waarbij meerdere bestuurders hoofdelijk veroordeeld waren tot betaling van een aanzienlijke civiele schadevergoeding aan een stichting die de benadeelden vertegenwoordigde.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs verdeeld over drie hoofdverdachten en vervolgens slechts een evenredig deel van de hoofdelijk toegekende civiele schadevergoeding in mindering gebracht op het voordeel. De Hoge Raad stelde dat het oordeel van het hof om zonder nadere motivering slechts 1/11e deel van de schadevergoeding in mindering te brengen niet begrijpelijk is, omdat het hof uitging van hoofdelijke aansprakelijkheid van elf veroordeelden, terwijl het voordeel slechts over drie bestuurders was verdeeld.
De Hoge Raad benadrukte dat de wet beoogt te voorkomen dat hetzelfde voordeel meermalen wordt teruggevorderd, maar dat dit niet betekent dat bij hoofdelijkheid automatisch het gehele bedrag in mindering moet worden gebracht. Er dient rekening te worden gehouden met de daadwerkelijke verdeling van het voordeel en de aansprakelijkheid. Tevens werd geoordeeld dat het hof ten onrechte een getuigenverzoek had afgewezen zonder voldoende motivering. De zaak werd vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 36e, zesde lid, Sr en benadrukt het belang van een zorgvuldige en gemotiveerde toerekening van civiele vorderingen bij voordeelsontneming, met oog voor de feitelijke verdeling van het voordeel en de aansprakelijkheid van betrokkenen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de voordeelsontneming met correcte toepassing van art. 36e, zesde lid, Sr.