ECLI:NL:PHR:2012:BT5858
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onderkapitalisatieregeling artikel 10d Wet Vpb in het licht van EU-recht en belastingverdragen
In deze zaak staat de toetsing van artikel 10d Wet Vpb, de Nederlandse onderkapitalisatieregeling, centraal. De belanghebbende betoogt dat deze regeling onrechtmatig onderscheid maakt tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties, mede omdat binnenlandse ondernemingen via fiscale eenheid de regeling kunnen mitigeren, terwijl dat voor buitenlandse groepsvennootschappen niet mogelijk is. Tevens wordt aangevoerd dat de regeling strijdig is met EU-vrijheden en belastingverdragen met Frankrijk, Duitsland en Portugal.
De rechtbank en de Hoge Raad oordelen dat artikel 10d Wet Vpb geen verboden onderscheid maakt en niet in strijd is met de vrijheid van vestiging of het vrije kapitaalverkeer. De mogelijkheid om binnenlandse fiscale eenheden te vormen, die grensoverschrijdend niet bestaat, rechtvaardigt de regeling. Bovendien ziet de IR-Richtlijn alleen op juridische dubbele belasting bij de renteontvanger en niet op economische dubbele belasting bij de betaler, zodat de thincap-regeling niet onder deze richtlijn valt.
De armslengtebepalingen in de belastingverdragen, gebaseerd op artikel 9 van Pro het OESO-modelverdrag, staan de toepassing van artikel 10d Wet Vpb niet in de weg. De regeling herkwalificeert leningen niet tot kapitaal en beperkt alleen de renteaftrek bij bovenmatige financiering. Het Protocol bij het belastingverdrag met Portugal bevestigt dat thincap-regelingen toegestaan zijn, mits er geen strijd is met het arm's length-beginsel, hetgeen hier niet is aangetoond.
De Hoge Raad bevestigt dat het ontbreken van de mogelijkheid tot grensoverschrijdende fiscale eenheid niet leidt tot strijdigheid met EU-recht. Ook het discriminatieverbod in het belastingverdrag met Frankrijk wordt niet geschonden, omdat het geen onderscheid maakt op basis van nationaliteit maar op basis van fiscale eenheid die alleen binnenlands mogelijk is. De regeling is proportioneel en gerechtvaardigd door de noodzaak tot handhaving van de heffingsbevoegdheid.
De conclusie is dat artikel 10d Wet Vpb rechtsgeldig is en niet in strijd met EU-recht of belastingverdragen, ook niet in haar praktische toepassing. De middelen van de belanghebbende worden verworpen.
Uitkomst: Artikel 10d Wet Vpb is niet in strijd met EU-recht of belastingverdragen en mag worden toegepast.