Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
i.e.zonder dat daar activa tegenover staan, hetgeen in strijd is met doel en strekking van art. 4(5)(a) BBI. Belanghebbendes voor het eerst in cassatie betrokken stelling dat zij haar deelnemingen op intrinsieke waarde waardeert zodat hun waardestijging wel degelijk (ook) in haar fiscale resultaat begrepen is en aan de HBR is toegevoegd, strookt niet met de vaststellingen van de feitenrechters en is overigens een ontoelaatbaar novum in cassatie.
X Holding, [1] blijkt dat de EU-lidstaten niet verplicht zijn grensoverschrijdende fiscale consolidatie toe te staan. De beperking van het f.e.-regime tot in Nederland onderworpen vennootschappen (en vaste inrichtingen) is volgens het HvJ EU weliswaar een beperking van de vestigingsvrijheid, maar zij wordt gerechtvaardigd door de noodzaak tot evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid, misbruikbestrijding en voorkoming van dubbele verliesverrekening. Uit HR BNB 2011/244 en HR BNB 2013/15 blijkt dat dit geldt voor alle onderdelen en gevolgen van (het ontbreken van de mogelijkheid van) een fiscale eenheid.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
X Holding BV [6] blijkt dat de vestigingsvrijheid zich niet verzet tegen beperking van de fiscale eenheid tot binnenlandse dochters.
4.De fiscale beleggingsinstelling en haar herbeleggingsreserve
vervreemdingswinstenop onroerende zaken zijn begrepen die niet zijn herbelegd, die dividenden worden behandeld als meegekocht dividend: [21]
5.Vrijheid van vestiging
X Holding BVeen dergelijk beroep al eens verworpen. U overwoog daarbij dat ook de andere uit het ontbreken van een fiscale eenheid voortvloeiende verschillen met een interne f.e.-situatie toelaatbaar zijn: [22]
X Holding BV, [24] betrof een Nederlandse vennootschap die een fiscale eenheid wilde aangaan met haar niet in Nederland, maar in België onderworpen dochtervennootschap om de verliezen van de laatste te kunnen absorberen in haar in Nederland belastbare winst. Het HvJ achtte de grensoverschrijdende situatie op basis van de ratio van de regeling weliswaar vergelijkbaar met een puur interne moeder-dochter-verhouding, maar achtte de weigering van consolidatie niettemin gerechtvaardigd:
6.Beoordeling van de middelen
aanvangsrekengrootheid ex art. 4(5)(a) BBI (‘het vermogen’) en daardoor geen invloed heeft op het door haar bepleite hogere HBR-plafond ad € 411 mio (zie 6.1).
Per saldokomt deze stelling op hetzelfde neer als de stelling dat een negatieve algemene reserve onderdeel uitmaakt van de ‘toelaatbare reserves.’ De fiscus ziet dit als het ten onrechte verhogen van het werkelijk aanwezige vermogen met een uitgekeerd excesdividend, dus als het doen alsof dat dividend niet uitgekeerd zou zijn. De belanghebbende daarentegen betoogt dat het excesdividend niet alleen ‘het vermogen’ heeft verminderd, maar ook de algemene reserve waaruit dat dividend is betaald (die daardoor negatief is geworden), alsmede dat het haar vrijstaat om het excesdividend niet uit de HBR, maar uit haar commerciële algemene reserve te putten, ook als die algemene reserve fiscaalrechtelijk op nihil stond toen het excesdividend er nog uit geput moest worden. De belanghebbende stelt in dat verband de vraag ten laste waarvan het excesdividend fiscaalrechtelijk gekomen zou zijn als er geen HBR was geweest: toch de algemene reserve?
poolen, etc.
X Holdingblijkt dat de lidstaten van de EU niet verplicht zijn om grensoverschrijdende fiscale eenheden toe te staan. Dat de belanghebbende fiscaalrechtelijk niet kan consolideren zoals zij commercieel doet, is een door het HvJ EU en door u als gerechtvaardigd aanvaard verschil tussen interne (onderworpen) en grensoverschrijdende (niet-onderworpen) gevallen. Uit C-337/08,
X Holding BVblijkt dat de keuze die de belanghebbende wordt onthouden haar niet op grond van EU-recht toch geboden zou moeten worden: de beperking van fiscale consolidatie tot in Nederland onderworpen vennootschappen (dus ook vaste inrichtingen) is volgens het HvJ EU weliswaar een beperking van de vestigingsvrijheid, maar zij wordt gerechtvaardigd door de noodzaak tot evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid, misbruikbestrijding en voorkoming van dubbele verliesverrekening. U overwoog in HR BNB 2011/244 (zie 5.2 hierboven) dat ook andere uit het ontbreken van een fiscale eenheid voortvloeiende verschillen dan verschillen in verliesverrekening gerechtvaardigd zijn. Nu art. 4(5)(a) BBI een grensoverschrijdende situatie en een interne situatie zonder fiscale eenheid gelijk behandelt, doet zich mijns inziens geen strijd met EU-recht voor.