ECLI:NL:PHR:2012:BT6553
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor moord en het verbergen van het lijk met strafvermindering wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft de moord op het slachtoffer door verdachte op 1 juli 2006 te Uden, waarbij verdachte het slachtoffer met een luchtdrukwapen op het hoofd heeft geschoten en/of met een hard voorwerp heeft geslagen, resulterend in overlijden. Vervolgens heeft verdachte het stoffelijk overschot in België verborgen en verpakt om de doodsoorzaak te verhullen.
In hoger beroep werd onder meer aangevoerd dat het bevel tot inverzekeringstelling onrechtmatig was omdat het was gegeven door een onbevoegde hulpofficier van justitie, wat volgens de verdediging tot niet-ontvankelijkheid van het OM zou moeten leiden. Het hof stelde vast dat dit inderdaad een onherstelbaar vormverzuim was, maar dat verdachte hierdoor geen nadeel had ondervonden en dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidde.
Verder werd geklaagd over het ontbreken van een mogelijkheid tot tegenonderzoek van het stoffelijk overschot, maar het hof oordeelde dat het onderzoek adequaat was gezien de staat van het lichaam en dat de verdediging wel degelijk een contra-expertise had laten uitvoeren. Ook de kritiek op de strafmotivering en de beoordeling van wisselende verklaringen van verdachte faalden.
De Hoge Raad bevestigde de veroordeling en strafoplegging, maar achtte gegrond dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de straf verminderd moet worden. De overige middelen werden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor moord en het verbergen van het lijk, wijst niet-ontvankelijkverklaring af ondanks onrechtmatige inverzekeringstelling, en vermindert de straf wegens overschrijding redelijke termijn.