ECLI:NL:HR:2012:BT6553
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- B.C. de Savornin Lohman
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor moord en verbergen lijk met strafvermindering wegens termijnoverschrijding
De verdachte werd veroordeeld voor de moord op zijn vrouw op 1 juli 2006 in Uden, waarbij hij met een luchtdrukwapen en/of een hard voorwerp geweld op het hoofd van het slachtoffer heeft toegepast, wat tot haar overlijden leidde. Tevens werd bewezen verklaard dat hij het lijk van het slachtoffer heeft verborgen en weggevoerd naar België, met het oogmerk het feit en de doodsoorzaak te verbergen.
Het hof veroordeelde de verdachte tot twintig jaar gevangenisstraf, waarbij zwaar werd meegewogen het lafhartige karakter van de moord, het respectloos omgaan met het lijk, het misleiden van nabestaanden en het bewust wegnemen van sporen, waaronder de luchtbuks. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat de strafmotivering van het hof toereikend was en dat het verwijt van ontoereikende motivering faalde. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden door vertraging in de cassatiefase, wat leidde tot vermindering van de straf tot negentien jaar en zeven maanden gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negentien jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.