ECLI:NL:HR:2002:AD7794
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak afpersing wegens vormverzuim inverzekeringstelling
In deze strafzaak werd verdachte in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot zestien maanden gevangenisstraf wegens afpersing, waarbij tevens de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf werd gelast. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De kern van het cassatieberoep betrof een vormverzuim bij de inverzekeringstelling van verdachte, waarbij werd aangevoerd dat deze te laat was bevolen, wat volgens artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aanleiding zou moeten geven tot strafverlaging. Het hof had dit beroep verworpen omdat het verzuim niet van dien aard was dat strafverlaging gerechtvaardigd was, mede gelet op de ernst van het feit en het ontbreken van substantiële belangenbeschadiging van verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dat verzuimen bij de inverzekeringstelling uitsluitend aan de rechter-commissaris kunnen worden voorgelegd en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet toelaat dat deze verzuimen in de terechtzitting opnieuw worden aangevoerd. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep op artikel 359a Sv niet van toepassing is op dit soort verzuimen en verwierp het cassatieberoep. Daarmee bleef de straf van zestien maanden gevangenisstraf ongewijzigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot zestien maanden gevangenisstraf blijft in stand.