ECLI:NL:PHR:2012:BU6250
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte moord op vrouw ondanks DNA-sporen en forensisch bewijs
Het gerechtshof te 's-Gravenhage sprak verdachte vrij van moord, doodslag en mishandeling met de dood tot gevolg van het slachtoffer, dat op 11 juli 2006 in haar woning in Alphen aan den Rijn werd gevonden.
Het slachtoffer was die avond nog bezig met haar computeractiviteiten toen zij vermoedelijk werd gestoord. Er werd een worsteling vastgesteld, gevolgd door verstikking door een kabelbinder, messteken en het plaatsen van een plastic zak over het hoofd. Diverse forensische sporen werden aangetroffen, waaronder DNA van verdachte op de badjas van het slachtoffer, nagelvuil, schoenzoolsporen van slippers die verdachte droeg, haren en Y-chromosomaal DNA.
Ondanks deze aanwijzingen achtte het hof het niet uitgesloten dat verdachte het DNA op een eerdere gelegenheid had achtergelaten, mede omdat de badjas regelmatig werd gewassen en verdachte regelmatig bij de familie kwam. De rechter stelde dat de bewijsmiddelen onvoldoende samenhangend en overtuigend waren om de verdachte te veroordelen. De verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en gaf geen verklaring over het DNA-materiaal.
De Hoge Raad bevestigde dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden en dat een vrijspraak niet onbegrijpelijk is als er redelijke twijfel blijft bestaan. Het hof hoefde zijn vrijspraak niet nader te motiveren, ook al bracht het Openbaar Ministerie onderbouwde standpunten naar voren. De zaak illustreert de hoge bewijseisen in strafzaken en het belang van een sluitende bewijsconstructie.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs ondanks aanwezigheid van DNA-sporen.