Conclusie
1.De vordering tot herziening ten nadele
advisory opinionuit te brengen over de vraag of de toepassing van de Wet herziening ten nadele op een vrijspraak van een levensdelict die vóór die datum onherroepelijk is geworden, verenigbaar is met art. 6 en Pro/of art. 7 EVRM Pro. Daartoe strekt deze conclusie. Voor de volledigheid merk ik daarbij op dat de verenigbaarheid van de Wet herziening ten nadele met verdragsrechten voor het overige niet ter discussie staat.
onderdeel 2);
onderdeel 3);
onderdeel 4);
onderdeel 5);
onderdeel 6);
onderdeel 7);
advisory opinionaan het EHRM (
onderdeel 8);
onderdeel 9).
2.De zaak waarop de aanvraag tot herziening ten nadele betrekking heeft
post mortemaangebracht. Verder had [slachtoffer] een bloeduitstorting aan de linkerzijde van haar gezicht en hals. Het tijdstip van overlijden kon door de patholoog-anatoom niet worden vastgesteld.
Het bewijs
likelihood ratiotussen 10.000 en een miljoen. De conclusie luidt dat “the autosomal DNA profiles from the finger-nail scraping from the victim almost certainly contains the autosomal DNA of the suspect”.
tweedanwel van
driepersonen. In het eerste geval - onder de aanname dat in het DNA-mengprofiel de DNA-kenmerken worden waargenomen van twee personen -, wordt uitgesloten dat de bemonstering [AHH352] #2 celmateriaal van de verdachte bevat. In het tweede geval - onder de aanname dat in het DNA-mengprofiel de DNA-kenmerken worden waargenomen van drie personen -, kan niet kan worden uitgesloten dat de betreffende bemonstering celmateriaal van de verdachte bevat.
3.De herzieningsaanvraag
180 000times more probable to have obtained the observed results if the course of events occurred in the manner described by the prosecution scenario rather than occurring in the manner described by the defence scenario. The results therefore provide very strong support that the events occurred in the manner described by the prosecution scenario rather than the defence scenario.”
Stb. 2001, 400 (hierna: het DNA-besluit). Wel was het uitgeschreven DNA-profiel van de gewezen verdachte aanwezig in het procesdossier. Het College stelt dat dit uitgeschreven DNA-profiel rechtmatig onderdeel uitmaakte van het procesdossier, aangezien de verdediging zelf had verzocht het uitgeschreven DNA-profiel aan het dossier toe te voegen. Het bewaren van dit uitgeschreven DNA-profiel in het procesdossier was volgens het College rechtmatig, omdat deze strafvorderlijke gegevens op grond van art. 39d, in samenhang met art. 4 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens bewaard moeten blijven tot dertig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in art. 352 Sv Pro is gedaan.
gebruikvan het uitgeschreven DNA-profiel rechtmatig was. Daartoe wijst het College op de ratio van de Wet herziening ten nadele. De besluitgever heeft nadrukkelijk gewild dat DNA-gegevens van de gewezen verdachte, die reeds aan de opsporing ter beschikking staan, kunnen worden onderworpen aan nieuw technisch onderzoek met het oog op een eventuele herziening ten nadele. Verder acht het College van belang dat de besluitgever kennelijk niet goed heeft doordacht hoe om te gaan met situaties als de onderhavige, waarbij de bevoegdheid bestaat om een vergelijkend DNA-onderzoek te verrichten met het DNA-profiel van de gewezen verdachte, maar het DNA-profiel van de gewezen verdachte niet (meer) in de DNA-databank is vastgelegd. Het huidige art. 14 lid 8 Besluit Pro DNA-onderzoek schrijft voor dat een DNA-profiel van een gewezen verdachte dat is vastgelegd in de DNA-databank uitsluitend kan worden vergeleken indien de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, opdracht tot de vergelijking heeft gegeven. Het College schrijft dat, hoewel in onderhavige zaak geen sprake was van een in de DNA-databank vastgelegd DNA-profiel, het omwille van de zorgvuldigheid wel de voorkeur had gehad een dergelijke opdracht van de rechter-commissaris te verkrijgen. Het College meent echter dat het ontbreken van een dergelijke opdracht onverlet laat dat sprake is van een onderzoek dat overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden als bedoeld in art. 482a lid 4 Sv.
4.Het verweerschrift
Standpunten en oordelen ten aanzien van de onmiddellijke werking van de herzieningsregeling
6.Grondslag en karakter van herziening ten nadele
lites finiri oportet, van het gezag van gewijsde van onherroepelijke uitspraken en daarmee mogelijk ook van het gezag van rechterlijke uitspraken als zodanig. Daar komt bij dat door de herzieningsmogelijkheid verwachtingen kunnen worden gewekt bij slachtoffers en nabestaanden, die lang niet in alle gevallen kunnen worden waargemaakt.
novaen
falsa. Een novum betreft een nieuw gegeven. Er moet sprake zijn van een gegeven dat aan de rechter in de eerdere procedure niet bekend was én waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft. Als novum kan gelden a) een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte en b) resultaten van technisch onderzoek. De andere gronden voor herziening betreffen zogenoemde falsa. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de uitspraak berust op valse stukken. In de onderhavige zaak is de herzieningsaanvraag gestoeld op nova.
the reopening of the case in accordance with the law and penal procedure of the State concerned, if there is evidence of new or newly discovered facts, or if there has been a fundamental defect in the previous proceedings, which could affect the outcome of the case”. Nederland heeft het Zevende Protocol bij het EVRM niet geratificeerd. Toch kan (de rechtspraak van het EHRM over) art. 4 lid 2 Zevende Pro Protocol indirect, in het licht van art. 6 lid 1 EVRM Pro, betekenis hebben in de Nederlandse rechtsorde. Daarop kom ik nog terug.
7.Onmiddellijke werking van de herzieningsregeling
De vraag of het toepassen van een regeling van herziening ten nadele op vrijspraken van voor de datum van inwerkingtreding van die regeling, verenigbaar is met artikel 7, eerste lid, EVRM is nog niet aan het EHRM voorgelegd. Het kabinet gaat ervan uit dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, omdat het volgens het EHRM redelijk is als de verdragsluitende partijen ervan uitgaan dat strafvorderlijke proceshandelingen worden beheerst door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen, ook als dit nadelig uitpakt voor de verdachte(zie Scoppola tegen Italië, EHRM 17 september 2009, application no. 10249/03, rechtsoverweging 110, waarin het EHRM ook verwijst naar Coëme tegen België, EHRM 22 juni 2000, application no. 32492/96, rechtsoverwegingen 147–149).
Het indienen van een aanvraag tot herziening ten nadele is een strafvorderlijke proceshandeling.
Er moet sprake zijn van «to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of an individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice». In het criterium uit het wetsvoorstel dat herziening «in het belang van een goede rechtsbedeling» moet zijn, werkt de door het EHRM vereiste balans door.Dat herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling dient te zijn, stelt aan het heropenen van in het verleden met een vrijspraak afgesloten strafzaken een grens. Tijdsverloop is een van de factoren die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of herziening ten nadele in het belang is van een goede rechtsbedeling. Naarmate de, voor de datum van inwerkingtreding onherroepelijk geworden, vrijspraak uit een recenter verleden stamt, zal herziening ten nadele eerder in het belang van een goede rechtsbedeling zijn. In het criterium van het belang van een goede rechtsbedeling en in de omstandigheid dat tijdsverloop daarbij een van de wegingsfactoren is, kan echter geen argument worden gevonden om vrijspraken die stammen van vóór de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op voorhand – categorisch – uit te sluiten.” [onderstreping PG]
Het scheppen van de mogelijkheid om – binnen de grenzen van de regeling van de vervolgingsverjaring – oude vrijspraken te herzien, is mijns inziens echter iets anders dan het laten herleven van het vervolgingsrecht voor strafbare feiten die eerder al waren verjaard.Bij de verjaring heeft de wetgever ten aanzien van groepen strafbare feiten categorisch beslist dat het vervolgingsrecht daarvoor binnen een bepaalde termijn verjaart. Een vrijspraak is echter een door de rechter genomen beslissing ten aanzien van een individueel strafbaar feit waarvan binnen de grenzen van de daarvoor geldende verjaringsregels herziening kan worden aangevraagd.
Maar van een inbreuk op een onder artikel 7 EVRM Pro vallend materieel recht is bij herziening van oude vrijspraken mijns inziens geen sprake.Daarom geldt in mijn ogen de algemene regel uit de rechtspraak van het Europees Hof, die ook in het Scoppola-arrest (rov. 110) wordt herhaald, dat het redelijk is om bij wijzigingen in het strafprocesrecht uit te gaan van de onmiddellijke werking van deze wijzigingen.
Oikeudenkäymiskaari), hoofdstuk 31, sectie 9, kan een onherroepelijke uitspraak worden herzien in het nadeel van de betrokkene, onder meer wanneer “a circumstance of a piece of evidence which has not been presented previously is invoked and its presentation would probably have led to the conviction of the defendant for the offence or to the application of essentially more severe penal provisions.” [55] In dat geval dient het herzieningsverzoek te worden gedaan uiterlijk één jaar nadat de verzoekende partij op de hoogte is gekomen van het novum (hoofdstuk 31, sectie 10).
Zákon o trestním řízení soudním)). Art. 279 van Pro het Wetboek voorziet in aanvullende voorwaarden voor herziening ten nadele. Herziening ten nadele is bijvoorbeeld niet mogelijk indien de betrokkene is overleden of wanneer de helft van de verjaringstermijn van het strafbare feit is verstreken. De laatstgenoemde voorwaarde is ingevoerd op 1 januari 2002. De desbetreffende termijn vangt aan op de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden.
voorwaardenvoor toewijzing van een herzieningsverzoek, dient de voor de betrokkene meest gunstige wet te worden toegepast.
falsa(art. 54 lid 7 Criminal Pro Procedure and Investigations Act 1996), is de herziening ten nadele op grond van
novamogelijk ten aanzien van vrijspraken “before or after the passing of this Act” (art. 75 lid 6 Criminal Pro Justice Act 2003). Door deze ruime reikwijdte kan het mogelijke voordeel door de toepassing van nieuwe (DNA-)technieken op bewijs uit oude zaken worden benut. Verder werd de wetswijziging gezien als een wijziging van procedurele aard. [58] De Law Commission was van mening dat de terugwerkende kracht geen strijd met art. 7 EVRM Pro opleverde, omdat art. 7 EVRM Pro enkel ziet op het in het leven roepen van strafrechtelijke aansprakelijkheid en niet op procedurele wetswijzigingen. [59] De regering nam deze redenering over en besliste dat de herziening ten nadele op grond van nieuw bewijs “will be retrospective. That is, it will apply to acquittals which take place before the law is changed, as well as those that happen after.” [60]
Strafprozessordnung, StPO) in 1879 (art. 362). Tot 2021 was herziening ten nadele slechts mogelijk op grond van
falsaen op grond van een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte. Bij wet van 21 december 2021 heeft de wetgever herziening ten nadele op grond van een (ander) novum geïntroduceerd. Art. 362 aanhef Pro en lid 5 StPO luiden:
Bundesverfassungsgericht(BVerfG) geoordeeld over de uitbreiding van de gronden voor herziening ten nadele. In de uitspraak was aan de orde of 1) herziening ten nadele op basis van nieuw bewijs verenigbaar was met het ‘ne bis in idem’-beginsel, zoals neergelegd in art. 103 lid 3 van Pro de Duitse Grondwet en 2) of de wetswijziging uit 2021 ook kan worden toegepast op vrijspraken die onherroepelijk waren geworden voorafgaand aan de wetswijziging.
dissenting opinionvan twee rechters bekritiseerd. Deze rechters hadden echter geen twijfel over de juistheid van de beslissing dat de toepassing van de wet op uitspraken die vóór de inwerkingtreding daarvan onherroepelijk zijn geworden in strijd is met het grondwettelijk verankerde beginsel van rechtszekerheid. [62]
ten nadelevan de verdachte. [69]
partly dissenting opinionbij het arrest K.-H.W. tegen Duitsland leidt de Portugese rechter Barreto het volgende af uit de overwegingen in het arrest Coëme e.a. tegen België: [71]
Coëme and Others, cited above, § 150).
advisory opinionvan het EHRM van 26 april 2022 betreft de toepasselijkheid van verjaringsregels op foltering. [77] Het Armeense Hof van Cassatie had het EHRM, op grond van art. 1 van Pro het Zestiende Protocol, gevraagd om een
advisory opinionover de vraag of het buiten toepassing laten van verjaringstermijnen voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor foltering in overeenstemming is met art. 7 EVRM Pro, indien het nationale recht niet verplicht tot het buiten toepassing laten van die verjaringstermijnen.
advisory opinionwordt het arrest Orlen Lietuva Ltd niet genoemd. Wel gaat het EHRM uitgebreid in op het arrest Antia en Khupenia tegen Georgië:
the main question before it, subject to its power of review under Article 7, was whether there was a valid legal basis for the applicants’ convictionin view of the expiry of the statute of limitation in respect of the relevant offence.
criminal responsibility has been revived after the expiry of a limitation period, it would be deemed incompatible with the overarching principles of legality (nullum crimen, nulla poena sine lege) and foreseeability enshrined in Article 7(see paragraphs 67‑71 above). It follows that where a criminal offence under domestic law is subject to a statute of limitation, and becomes time-barred so as to exclude criminal responsibility, Article 7 would preclude the revival of a prosecution in respect of such an offence on account of the absence of a valid legal basis. To hold otherwise would be tantamount to accepting “the retrospective application of the
criminallaw to an accused’s disadvantage” (emphasis added) (see Del Río Prada, cited above, § 78, quoted at paragraph 67 above).” [onderstreping PG]
mayraise issues concerning legal certainty” (onderstreping PG). [78] Het komt mij voor dat het daarbij verschil maakt of (voortzetting van de) vervolging mogelijk wordt gemaakt door een wettelijke voorziening die al bestond ten tijde van de strafvervolging, zoals in de specifieke context in de zaak Antia en Khupenia, of dat de mogelijkheid om alsnog tot (voortzetting van de) vervolging over te gaan in het leven wordt geroepen door een wet die een voltooide verjaring ‘openbreekt’. Juist het laatste is in het licht van het belang van rechtszekerheid, dat art. 7 EVRM Pro mede beoogt te beschermen, problematisch. [79]
fair balancetussen de diverse rechten die uit het Verdrag voortvloeien.
advisory opinionvan 26 april 2022 wijdt het EHRM beschouwingen aan de verhouding tussen de positieve verplichtingen voortvloeiend uit art. 3 EVRM Pro in de context van gedragingen van politieambtenaren enerzijds en verjaringstermijnen en art. 7 EVRM Pro anderzijds:
de jureof
de factoonmogelijk is om strafrechtelijke onderzoeken te heropenen. Of een staat verplicht is een strafzaak te heropenen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waartoe de reden voor beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek behoort:
the reason why the criminal proceedings were terminated, any shortcomings and defects in the proceedings prior to the decision to bring them to an end, and whether the alleged perpetrator contributed to the shortcomings and defects that led to the criminal proceedings being brought to an end.” [onderstreping PG]
, in cases in which the alleged perpetrators were acquitted and cannot be put on trial for the same offence, or in cases in which the criminal proceedings became time-barred on account of the statute of limitationsset out in the national legislation. Indeed, a reopening of criminal proceedings that were terminated on account of the expiry of the statute of limitations may raise issues concerning legal certainty (see Coëme and Others v. Belgium, nos. 32492/96 and 4 others, § 145, ECHR 2000‑VII) and may thus have a bearing on a defendant’s rights under Article 7 of the Convention (see, mutatis mutandis, Kononov v. Latvia [GC], no. 36376/04, §§ 228-33, ECHR 2010).
In a similar vein, putting the same defendant on trial for an offence for which he or she has already been finally acquitted or convicted may raise issues concerning that defendant’s right not to be tried or punished twice within the meaning of Article 4 of Protocol No. 7 to the Convention(see Marguš v. Croatia [GC], no. 4455/10, § 114, ECHR 2014 (extracts)).” [onderstreping PG]
de factoterugwerkende kracht van een regeling van herziening ten nadele met het in art. 4 Protocol Pro 7 EVRM verankerde ‘ne bis in idem’-beginsel gevolgen kunnen hebben voor de eerlijkheid van de berechting als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Bij de beoordeling of een proces waarin een verlenging van verjaringstermijnen aan de orde is, kan gelden als eerlijk in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro, hanteert het EHRM een toetsingskader toe dat mede is ontleend aan de rechtspraak inzake art. 7 EVRM Pro. Op deze wisselwerking wordt hieronder nog ingegaan.
chargewanneer de uitspraak in de desbetreffende zaak onherroepelijk is geworden. In de memorie van toelichting bij de Wet herziening ten nadele is uit het arrest Nikitin tegen Rusland uit 2004 afgeleid dat art. 6 EVRM Pro eerst van toepassing is op de procedure nádat de herzieningsaanvraag is toegewezen. [106] De zaak Nikitin betrof een verzoek om herziening ten nadele van de procureur-generaal gericht aan ‘the presidium of the Supreme Court’. De aanvraag tot herziening ten nadele werd afgewezen. Nikitin klaagde over een schending van art. 4 van Pro het Zevende Protocol en art. 6 EVRM Pro. Het EHRM overwoog als volgt in het kader van het beroep op art. 6 EVRM Pro: [107]
chargewerd vastgesteld, in de zaak Vanyan aldus niet goed worden gescheiden.
ten voordele, waarin de rechter het herzieningsverzoek ten dele toewees en de veroordelende uitspraak gedeeltelijk vernietigde als gevolg van een herbeoordeling van het bewijs. [109] Deze vorm van “scrutiny” vormde naar het oordeel van het EHRM “an extension of the criminal proceedings against the applicant. The Supreme Court once again focused on the determination, within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention, of the criminal charge against the applicant.” [110]
ten voordele, omdat het EHRM spreekt over onherroepelijke veroordelingen. In het arrest gaat het EHRM ook in op herziening ten nadele:
Savinskiy v. Ukraine, no. 6965/02, § 25, 28 February 2006;
Radchikov v. Russia, no. 65582/01, § 48, 24 May 2007; and
Ştefan v. Romania, no. 28319/03, § 18, 6 April 2010).”
Maresti v. Croatia, no. 55759/07, §§ 25 and 28, 25 June 2009).
except for compelling public-interest reasons,interference by the legislature with the administration of justice designed to influence the judicial determination of a dispute (…). The Court considers that those principles, which are essential elements of the concepts of legal certainty and protection of litigants' legitimate trust (see Unedic v. France, no. 20153/04, § 74, 18 December 2008), are applicable, mutatis mutandis, to criminal proceedings. [onderstreping PG]
geassocieerdmet het recht op een eerlijk proces in strafzaken. Hieruit volgt enerzijds de samenhang tussen beide artikelen, terwijl het EHRM anderzijds door het gebruik van de term “associated” tot uitdrukking lijkt te brengen dat die samenhang niet betekent dat art. 4 Zevende Pro Protocol naast art. 6 EVRM Pro geen zelfstandige betekenis toekomt. Knigge merkt onder 6.5.9 van zijn conclusie in de Vivaldi-zaak op dat de toetsing van het EHRM in de Bratyakinzaak aan art. 6 EVRM Pro aanmerkelijk verder ging dan de toets waartoe art. 4 van Pro het Zevende Protocol aanleiding gaf. Uit de rechtspraak wordt aldus in elk geval duidelijk dat de omstandigheid dat Nederland het Zevende Protocol niet heeft geratificeerd, niet betekent dat bij de toetsing van de toepassing van de herzieningsregeling aan art. 6 EVRM Pro de bescherming tegen een dubbele vervolging minder intensief is dan ingeval wel rechtstreeks zou worden getoetst aan art. 4 Protocol Pro 7 EVRM.
fair balancezijn in het bijzonder: [131]
overall fairness of the proceedingste waarborgen.
8.Een verzoek om een advisory opinionaan het EHRM
advisory opinionaan het EHRM te vragen. Ik licht dit als volgt toe.
advisory opinionverzoeken. [132] Het Zestiende Protocol is in Nederland op 1 juli 2019 in werking getreden. [133] Tot op heden heeft de Hoge Raad nog geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid een
advisory opinionaan het EHRM te vragen.
advisory opinion procedure’is “to further enhance the interaction between the Court and national authorities and thereby reinforce the implementation of the Convention (…).” [134]
advisory opiniongeen verplichting behelst. Verder blijkt uit art. 1 lid 1 en Pro lid 2 Zestiende Protocol dat een verzoek een “question of principle” moet betreffen en dat de vraag aan de orde moet zijn in een concrete zaak die aanhangig is bij het desbetreffende gerecht. Het verzoek wordt beoordeeld door een college (“panel”) van vijf rechters van de Grote Kamer van het EHRM (art. 2 lid 1 Zestiende Pro Protocol). Indien het verzoek in behandeling wordt genomen, brengt de Grote Kamer de
advisory opinionuit.
advisory opiniondient te gaan om “questions of principle” betreffende de interpretatie of toepassing van de rechten uit het EVRM en de protocollen. In de Guidelines on the implementation of the advisory-opinion procedure introduced by Protocol No. 16 to the Convention wordt vermeld: [135]
advisory opinionsuitgebracht. [136] Vier verzoeken om het uitbrengen van een
advisory opinionzijn afgewezen en twee verzoeken zijn in afwachting van behandeling. In de
advisory opinionswordt niet gemotiveerd op welke grond het EHRM in die gevallen oordeelde dat sprake was van een “question of principle”. Uit de beslissingen tot afwijzing van verzoeken om een
advisory opinionkan wel worden afgeleid waarom het EHRM geen grond afwezig achtte voor het uitbrengen van een
advisory opinion.
advisoy opinionover de interpretatie van art. 2, 3 en 6 EVRM werd afgewezen. Uit de verstrekte informatie bleek niet dat in de nationale procedure een beroep werd gedaan op art. 2 en Pro 3 EVRM. Daarbij kwam dat uit een “unifying opinion” van de Slowaakse hoogste rechter in een andere zaak bleek dat de rechter zelf de relevante uitgangspunten had uiteengezet voor de beantwoording van de vraag over art. 6 EVRM Pro. [137] In de beslissing concludeerde het EHRM “that the questions raised in the present request for an advisory opinion, on account of their nature, degree of novelty and/or complexity or otherwise, do not concern an issue on which the requesting court would need the Court’s guidance (…). [138]
advisory opinionniet verplicht is en als nadeel kent dat de behandeling van het herzieningsverzoek wordt aangehouden tot het moment van de beslissing van het EHRM. [143] Dat nadeel moet wel in perspectief worden bezien. De herzieningsaanvraag betreft een levensdelict uit 2006, een vrijspraak die in 2012 onherroepelijk is geworden en een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen die in 2021 door de rechter-commissaris is toegewezen. Ik meen dat het nadeel van het tijdsverloop dat gepaard gaat met het vragen en krijgen van een
advisory opinionniet opweegt tegen de argumenten die pleiten voor het vragen van een
advisory opinion.
advisory opinionzal de privacy van betrokkenen moeten worden gerespecteerd. De
advisory opinionsworden gepubliceerd (art. 4 lid 4 Zestiende Pro Protocol). In onderdeel VII van de Guidelines betreffende het Zestiende Protocol wordt gewezen op de mogelijkheid van het anonimiseren van de betrokken personen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor het nationale gerecht, dat namen kan anonimiseren in het verzoek. Van de zeven uitgebrachte adviezen, zijn de betrokkenen in vier adviezen geanonimiseerd, door de betrokkenen ofwel aan te duiden met initialen, [144] of aan te duiden met een letter. [145]
advisory opinionvragen voor te leggen over de verenigbaarheid van toepassing van de regeling van de herziening ten nadele op uitspraken die vóór de inwerkingtreding van de wettelijke regeling onherroepelijk zijn geworden met de artikelen 7 en 6 EVRM.
9.Slotsom
advisory opinionuit te brengen over de hiervoor onder 8.22 tot en met 8.24 opgeworpen vragen.