ECLI:NL:PHR:2012:BV2628
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van tijdelijke huurovereenkomst bij verhuur van woonruimte in slooppand en de relatie met de Leegstandwet en artikel 7:232 BW
Deze zaak betreft de vraag of artikel 7:232 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is op tijdelijke huurovereenkomsten van woonruimte in panden die bestemd zijn voor sloop, mede in relatie tot de Leegstandwet. [Eiseres] huurde woonruimte van SSH, die deze weer huurde van Mitros, eigenaar van de panden in Utrecht. De woningen waren bestemd voor sloop, maar er was geen vergunning verleend op grond van de Leegstandwet voor tijdelijke verhuur.
De kantonrechter en het hof oordeelden dat de huurovereenkomsten tijdelijke huur betroffen die naar hun aard slechts van korte duur waren in de zin van artikel 7:232 lid 2 BW Pro, waardoor het reguliere huurbeschermingsregime niet van toepassing was. De Leegstandwet werd niet als exclusieve regeling gezien en het ontbreken van een vergunning leidde niet tot onrechtmatig handelen door Mitros. Het hof matigde wel het boetebeding in de huurovereenkomst.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 7:232 lid 2 BW Pro ook zonder vergunning van de Leegstandwet kan gelden voor tijdelijke verhuur van woonruimte in afbraakpanden, en dat de Leegstandwet geen exclusieve regeling vormt die toepassing van artikel 7:232 lid 2 BW Pro uitsluit. De aard van het gebruik en de woning, en de redelijke verwachtingen van partijen zijn bepalend voor de toepassing van de uitzondering op huurbescherming. Het beroep van [eiseres] op huurbescherming faalt, en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; tijdelijke huurovereenkomsten in slooppanden vallen onder artikel 7:232 lid 2 BW zonder exclusieve werking van de Leegstandwet.