ECLI:NL:PHR:2012:BV3103
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid en vernietigbaarheid van verrekenbedingen in huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
De vrouw en man zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een jaarlijks verrekenbeding van overgespaard inkomen. Tijdens het huwelijk vond geen verrekening plaats. In 2003 sloten zij een onderhandse akte waarin zij overeenkwamen bij echtscheiding het vermogen alsof het gemeenschappelijk was, te verrekenen. Na ontbinding van het huwelijk in 2007 sloten zij aanvullende overeenkomsten over de vermogensverdeling.
De vrouw stelde dat de overeenkomst van 2003 nietig was wegens vormgebrek en dat de daarop voortbouwende overeenkomsten van 2007 vernietigbaar waren. Het hof verwierp deze stellingen en oordeelde dat de overeenkomsten van 2007 een finale verrekening vormden ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waarop art. 6:229 BW Pro niet van toepassing is.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. De uitsluiting van art. 6:229 BW Pro geldt ook voor voortbouwende overeenkomsten bij verrekening. De vrouw kon zich niet beroepen op dwaling of benadeling, mede omdat zij zich bewust was van de verrekenplicht en het beroep op vernietiging niet in eerdere instanties was gedaan. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen; de overeenkomsten over verrekening zijn niet nietig of vernietigbaar.