ECLI:NL:PHR:2012:BV7497
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Strafbaarheid van overtreding tijdelijk huisverbod zonder expliciete vermelding wettelijke grondslag
In deze zaak stond de vraag centraal of het feit van het overtreden van een tijdelijk huisverbod strafbaar is, ondanks dat in de tenlastelegging niet expliciet werd vermeld dat het huisverbod was opgelegd krachtens artikel 2 lid 1 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod (Wth). Verdachte werd ervan beschuldigd op 22 april 2009 het huisverbod te hebben overtreden door de woning van zijn ouders te betreden.
Het hof oordeelde dat het niet noodzakelijk is om in de tenlastelegging het woord 'uithuisgeplaatste' te gebruiken of de specifieke wettelijke grondslag te vermelden, zolang duidelijk is dat het huisverbod door of namens de burgemeester is opgelegd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer dat de tenlastelegging onvoldoende concreet zou zijn.
De bewezenverklaring steunt op het proces-verbaal van aanhouding en de beschikking van de burgemeester waarin het huisverbod is opgelegd. De Hoge Raad stelde dat het handelen in strijd met een huisverbod dat is opgelegd op grond van artikel 2 lid 1 Wth Pro strafbaar is gesteld in artikel 11 lid 1 Wth Pro, en dat het ontbreken van expliciete verwijzing naar deze wettelijke grondslag in de tenlastelegging niet leidt tot nietigheid.
Het arrest benadrukt dat de kwalificatie van het strafbare feit voldoende is gegeven door de omschrijving van het feit en de verwijzing naar het opgelegde huisverbod. Het middel dat stelde dat het ontbreken van het bestanddeel 'uithuisgeplaatste' in de tenlastelegging tot ontslag van rechtsvervolging moest leiden, faalde eveneens.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof dat verdachte schuldig bevond aan het overtreden van het tijdelijk huisverbod.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor het overtreden van het tijdelijk huisverbod ondanks het ontbreken van expliciete wettelijke grondslag in de tenlastelegging.