ECLI:NL:PHR:2012:BV8203
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat tonnageregeling niet van toepassing is op vergoedingen voor bemiddeling en advies aan scheepvaart-cv's
De zaak betreft de vraag of de vergoedingen die A ontvangt voor haar werkzaamheden aan scheepvaart-commanditaire vennootschappen (cv's) onder de tonnageregeling van artikel 3.22 Wet IB 2001 vallen. A bemiddelt en verleent diensten zoals het werven van participanten, opstellen van prospectussen en advisering aan rederijen en commanditaire vennoten. Tijdens de plaatsingsperiode is A beherend vennoot, maar treedt daarna uit om aansprakelijkheid te vermijden.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de vergoedingen niet kwalificeren als winst uit zeescheepvaart omdat de werkzaamheden niet direct samenhangen met de exploitatie van een schip. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het bijeenbrengen van kapitaal en de adviserende werkzaamheden voorafgaand aan en tijdens de exploitatie niet als exploitatie van het schip kunnen worden aangemerkt.
De Hoge Raad gaat ook in op de richtsnoeren van de Europese Commissie betreffende staatssteun aan de zeescheepvaart en stelt dat deze richtsnoeren relevant zijn voor de uitleg van de nationale wet. De richtsnoeren beperken de toepassing van de tonnageregeling tot natuurlijke begunstigden zoals rederijen en scheepsmanagers met volledige bemannings- en technisch beheer. A valt hier niet onder.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof zijn motiveringsplicht niet heeft geschonden en dat het oordeel dat de werkzaamheden van A niet direct samenhangen met de exploitatie van een schip niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de tonnageregeling is niet van toepassing op de vergoedingen van A voor haar werkzaamheden aan scheepvaart-cv's.