ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0295
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tonnagebelasting op vergoedingen voor werving investeerders in scheepvaart-cv’s
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid met dochtermaatschappijen die bemiddelen bij scheepvaart-cv’s, ontving vergoedingen voor het werven van investeerders. Deze vergoedingen werden in geschil gebracht of zij onder de tonnagebelasting van artikel 3.22 Wet IB 2001 vielen.
Het Hof stelde vast dat de vergoedingen betrekking hadden op activiteiten voorafgaand aan de exploitatie van schepen, zoals het werven van kapitaal en advisering tijdens de exploitatie, maar dat deze werkzaamheden niet direct samenhangen met de exploitatie van het schip zoals bedoeld in de wet. De exploitatie vangt aan nadat de plaatsingsperiode is voltooid en een reder als beherend vennoot is toegetreden.
Het Hof oordeelde dat de vergoeding niet tot de tonnagegrondslag behoort en wees daarbij ook op Europese richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer, die een beperkte en specifieke toepassing van de tonnagebelasting ondersteunen. De stelling van belanghebbende dat de vergoeding als arbeidsbeloning of als direct samenhangend met exploitatie moet worden gezien, werd verworpen. Het Hof bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de vergoeding voor werving investeerders niet tot de tonnagegrondslag behoort en wijst het hoger beroep af.