ECLI:NL:PHR:2012:BW4005
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-verrekening periodiek verrekenbeding tijdens huwelijk
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de uitvoering van een periodiek verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden. De vrouw vordert een verklaring voor recht dat zij gerechtigd is tot de helft van het tijdens het huwelijk overgespaarde en niet verrekende inkomen, terwijl de man stelt dat verrekening wel heeft plaatsgevonden.
De rechtbank Arnhem oordeelde dat de vrouw recht heeft op 50% van het te verrekenen vermogen. Het hof Arnhem vernietigde dit vonnis gedeeltelijk en verklaarde dat de vrouw recht heeft op 50% van het te verrekenen vermogen, met uitzondering van de voormalige echtelijke woning, waarvoor een afwijkende berekening geldt gebaseerd op de verhouding van verbouwingskosten tot totale waarde.
De man stelde cassatieberoep in tegen deze arresten. De Hoge Raad oordeelde dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat verrekening heeft plaatsgevonden, mede gelet op het deskundigenrapport en de inconsistenties in de winst- en betalingsgegevens. Het hof heeft terecht het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro toegepast en de man toegelaten tegenbewijs te leveren met betrekking tot de woning. Klachten over het deskundigenonderzoek en de berekeningswijze faalden eveneens. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de vrouw heeft recht op 50% van het te verrekenen vermogen met een afwijkende berekening voor de woning.