ECLI:NL:PHR:2012:BW4978
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen strijd met gezagsrecht bij overbrenging onder voorlopige voogdij van kind met verblijfplaats in Ierland
In deze zaak stond centraal of de Nederlandse kinderbeschermingsinstanties het kind van verzoekster en verweerder in cassatie, dat zijn gewone verblijfplaats in Ierland had, onrechtmatig naar Nederland hadden overgebracht. Verzoekster stelde dat deze overbrenging in strijd was met het gezagsrecht van de ouders, aangezien het kind onder voorlopige voogdij stond en de ouders in hun gezagsuitoefening geschorst waren.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechterlijke beslissingen tot voorlopige schorsing van de ouders en toewijzing van voogdij aan Bureau Jeugdzorg rechtskracht bezaten, ook al zou de rechter onbevoegd zijn geweest deze te geven. Deze beslissingen waren onherroepelijk geworden en konden niet zonder rechtsmiddelen worden betwist. Daarom kon niet worden aangenomen dat de overbrenging in strijd was met het gezagsrecht.
Verder werden klachten over het niet vertegenwoordigen van de Raad voor de Kinderbescherming door een advocaat, het aanmerken van grieven als tardief en het ontbreken van motivering over hereniging met de moeder in Ierland verworpen. De Hoge Raad concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de overbrenging van het kind was niet in strijd met het gezagsrecht.