ECLI:NL:PHR:2012:BW4983
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over eigendomsrecht en schadevergoeding bij teruggave gestolen auto na strafrechtelijk beslag
In deze zaak staat centraal de vraag of de teruggave van een strafrechtelijk inbeslaggenomen en als gestolen aangemerkte auto aan de oorspronkelijke eigenaar binnen drie jaar na de diefstal ertoe leidt dat de derde te goeder trouw die de auto had gekocht, geen beroep meer kan doen op de bescherming van art. 3:86 lid 1 BW Pro. De Hoge Raad bevestigt dat de afgifte aan de bestolen eigenaar na strafvorderlijk beslag niet gelijkgesteld kan worden aan een civielrechtelijke opeising in de zin van art. 3:86 lid 3 BW Pro, zodat de goederenrechtelijke positie van de derde te goeder trouw niet wordt aangetast door de teruggave door het OM.
De feiten betreffen de koop van een BMW door betrokkene 1 van een beschikkingsonbevoegde verkoper, waarna de auto als gestolen werd gemeld en in beslag genomen. De auto werd door het openbaar ministerie onrechtmatig aan de oorspronkelijke eigenaar teruggegeven zonder de beslagene schriftelijk te informeren. De beslagene stelde een klaagschrift in en kreeg in eerste aanleg gelijk, maar de Staat kon niet aan de last tot teruggave voldoen. Vervolgens vorderde de beslagene schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatig handelen.
De rechtbank wees de vordering af omdat de beslagene niet te goeder trouw zou zijn geweest bij aankoop. Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de beslagene wel te goeder trouw was en dat de Staat schadeplichtig was. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de beslagene eigenaar is geworden op grond van art. 3:86 lid 1 BW Pro en dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het niet nakomen van de last tot teruggave. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de schadevergoeding gebaseerd moet zijn op de waarde van de auto en niet slechts op de kosten van revindicatie. De Staat heeft zijn verweren niet kunnen onderbouwen dat de teruggave aan de oorspronkelijke eigenaar binnen drie jaar de eigendom van de derde te goeder trouw zou hebben vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Staat schadeplichtig is jegens de derde te goeder trouw op grond van art. 3:86 lid 1 BW.