Uitspraak
7 mei 1993.
Hoge Raad
In deze zaak kocht eiser op 25 oktober 1985 een woonwagen die dezelfde dag onder hem in beslag werd genomen en later onrechtmatig aan de gemeente werd teruggegeven zonder hem daarvan op de juiste wijze in kennis te stellen. Eiser startte een klaagschriftprocedure en een civiele procedure om schadevergoeding te vorderen, waaronder kosten van rechtsbijstand.
De Rechtbank oordeelde dat de Staat onrechtmatig had gehandeld en schadevergoeding moest betalen, maar wees de kosten van rechtsbijstand af. Het hof bekrachtigde dit oordeel en stelde dat de kosten voortvloeiend uit de klaagschriftprocedure onredelijk waren omdat eiser al voornemens was een civiele procedure te starten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van rechtsbijstand onredelijk zijn omdat de klaagschriftprocedure een snelle en eenvoudige weg biedt tot teruggave en niet onredelijk is om deze procedure te volgen. Tevens miskende het hof de juiste toepassing van proceskostenregels. Het arrest wordt vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar de redelijkheid van de kosten.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de redelijkheid van de kosten van rechtsbijstand.