ECLI:NL:PHR:2012:BW5520
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over recht op compensatie bij langdurige vluchtvertraging en prejudiciële vragen aan HvJ EU
Deze zaak betreft het recht op compensatie van passagiers bij langdurige vertraging van vluchten op grond van artikel 7 van Pro Verordening (EG) Nr. 261/2004, mede in het licht van het Sturgeon-arrest van het HvJ EU. Passagiers van een vertraagde Transavia-vlucht vorderden compensatie van €400 per persoon. De kantonrechter Haarlem wees de vordering toe, waarbij hij zich baseerde op het Sturgeon-arrest en het IATA-arrest, en weigerde de zaak aan te houden voor prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Transavia stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing en klaagde onder meer dat de kantonrechter ten onrechte geen pleidooi toestond en dat prejudiciële vragen aan het HvJ EU hadden moeten worden gesteld vanwege onduidelijkheid over de uitleg van de Verordening. De Hoge Raad oordeelde dat de kantonrechter het recht op pleidooi had geschonden door geen gelegenheid te bieden voor een mondelinge behandeling, waardoor cassatie ontvankelijk was.
Verder overwoog de Hoge Raad dat de kantonrechter als hoogste rechter in de zin van artikel 267 VWEU Pro verplicht kan zijn prejudiciële vragen te stellen indien onduidelijkheid bestaat over het Unierecht. In deze zaak kon echter niet worden vastgesteld dat die onduidelijkheid bestond, mede vanwege de beperkte toetsingsmogelijkheden in cassatie. Daarom was het niet onjuist dat de kantonrechter geen prejudiciële vragen stelde of de zaak aanhield. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd wegens schending van het recht op pleidooi en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.