ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6840
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Compensatie bij vluchtvertraging volgens EU-verordening 261/2004 bevestigd door Gerechtshof Amsterdam
Passagiers die op 13 juli 2007 met China Southern Airlines (CSA) van Schiphol naar Beijing vlogen, ondervonden een vertraging van ruim 26 uur. EUclaim, die de aanspraken van de passagiers had gecedeerd, vorderde compensatie op grond van EU-verordening 261/2004. De kantonrechter kende deze compensatie toe, waarna CSA in hoger beroep ging.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of sprake was van annulering of vertraging. Het hof volgde het Sturgeon-arrest van het HvJ EU en oordeelde dat het hier om een vertraging ging, omdat de oorspronkelijke vlucht werd uitgevoerd, zij het later dan gepland. Het hof bevestigde dat passagiers ook bij langdurige vertraging aanspraak kunnen maken op compensatie, ondanks dat artikel 6 van Pro de verordening dit niet expliciet regelt.
CSA voerde aan dat technische mankementen buitengewone omstandigheden vormden waardoor geen compensatie verschuldigd zou zijn. Het hof verwierp dit omdat CSA onvoldoende feitelijk had toegelicht dat sprake was van omstandigheden buiten de normale bedrijfsuitoefening. Ook stelde het hof dat het Sturgeon-arrest en de verordening niet in strijd zijn met het IATA-arrest of het Verdrag van Montreal.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde CSA tot betaling van de compensatie en de proceskosten. Hiermee werd het recht van passagiers op compensatie bij langdurige vertraging bevestigd en werd het beroep van CSA afgewezen.
Uitkomst: Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt China Southern Airlines tot betaling van compensatie voor vluchtvertraging.