ECLI:NL:PHR:2012:BW5521
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over recht op compensatie bij langdurige vluchtvertraging en prejudiciële vragen
In deze zaak vorderen passagiers compensatie van Transavia vanwege een vluchtvertraging van meer dan drie uur, gebaseerd op Verordening (EG) Nr. 261/2004. De vertraging was het gevolg van hevige sneeuwval, waardoor het vliegtuig te laat arriveerde en de luchthaven werd gesloten. Transavia verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden en stelde dat de zaak aangehouden moest worden in afwachting van prejudiciële vragen bij het HvJ EU.
De kantonrechter weigerde prejudiciële vragen te stellen en volgde het Sturgeon-arrest, waarbij compensatie bij langdurige vertraging wordt toegekend. Het hof Amsterdam bevestigde dit oordeel. De Hoge Raad oordeelt echter dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheden zoals bedoeld in art. 5 lid 3 van Pro de Verordening.
Voorts stelt de Hoge Raad dat de kantonrechter als hoogste nationale rechter in de zin van art. 267 VWEU Pro verplicht kan zijn prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU indien onduidelijkheid bestaat over de uitleg van Unierecht. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, met inachtneming van deze punten.
Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van het beroep op buitengewone omstandigheden en prejudiciële vragen.