ECLI:NL:PHR:2012:BW7012
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering en verdeling van bouwgrond in Oostenrijk binnen huwelijksgoederengemeenschap
In deze zaak gaat het om de waardering van een stuk bouwgrond in Oostenrijk dat behoort tot de huwelijksgoederengemeenschap tussen een man en een vrouw, die gehuwd zijn in Oostenrijk. De man heeft Oostenrijkse nationaliteit en de vrouw Australische nationaliteit. Na de echtscheiding is de verdeling van de gemeenschap aan de orde, waarbij de waarde van de bouwgrond centraal staat.
De rechtbank had de waarde van de bouwgrond vastgesteld op €108.000, maar de vrouw betwistte deze waarde en bracht een eigen taxatierapport in met een waarde van €492.800. Het hof stelde vervolgens de waarde vast op €157.355, een gewogen gemiddelde van beide taxaties, en veroordeelde de vrouw tot betaling van een bedrag wegens overbedeling.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof, met name tegen het niet benoemen van een derde deskundige volgens art. 679 Rv Pro. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet een deskundige te benoemen en dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de waardering en verdeling van de bouwgrond definitief zijn vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de waardering van de bouwgrond wordt vastgesteld op €157.355.