ECLI:NL:PHR:2012:BX0942
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over wederrechtelijk verkregen voordeel en overschrijding redelijke termijn in fiscale procedure
Belanghebbende werd strafrechtelijk veroordeeld voor handelen in strijd met de Opiumwet en kreeg een ontnemingsmaatregel opgelegd. In de fiscale procedure stelde hij dat het belastbaar inkomen onterecht was verhoogd met het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede vanwege samenloopbepalingen die dubbele bestraffing zouden voorkomen. De Inspecteur handhaafde de aanslag, waarbij het Hof oordeelde dat de ontnemingsmaatregel niet uitsluit dat het voordeel ook in de belastingheffing wordt betrokken, tenzij het voordeel daadwerkelijk is ontnomen en betaald.
Het Hof verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel dat de Inspecteur zou hebben toegezegd de aanslag te verminderen na ontneming. Tevens werd vastgesteld dat belanghebbende in 1998 inkomsten uit productie en verkoop van synthetische drugs heeft genoten die niet waren aangegeven, wat leidde tot een correctie van het belastbaar inkomen.
Belanghebbende voerde drie cassatiemiddelen aan: onjuiste uitleg van het Besluit inzake samenloop van ontneming en belastingheffing, onjuiste beoordeling van het vertrouwensbeginsel, en overschrijding van de redelijke termijn met een vordering tot vergoeding van immateriële schade. De Hoge Raad bevestigde dat het verzoek om vergoeding wegens termijnoverschrijding niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan en verwees de zaak terug voor beoordeling van de termijnoverschrijding en eventuele schadevergoeding.
De uitspraak bevat uitgebreide overwegingen over de fiscale behandeling van wederrechtelijk verkregen voordelen, de samenloop met strafrechtelijke ontnemingsmaatregelen, de uitleg van beleidsbesluiten, en de toepassing van het recht op een redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures. Tevens wordt ingegaan op de jurisprudentie omtrent de motiveringsplicht en de beoordeling van termijnoverschrijding in belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verzoeken tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in cassatie kunnen worden ingediend en verwijst de zaak terug voor verdere beoordeling.