ECLI:NL:PHR:2012:BX4024
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waarde in het economische verkeer van kapitaalverzekeringen bij overgang naar werkzaamheidsvermogen
De zaak betreft de fiscale waardering van kapitaalverzekeringen die een belanghebbende vóór 1 januari 2001 had afgesloten bij zijn eigen BV's, waarbij premies met een kostenopslag van 5% waren betaald. Met de invoering van de Wet IB 2001 moesten deze verzekeringen per 1 januari 2001 worden opgenomen in het werkzaamheidsvermogen tegen de waarde in het economische verkeer (WEV).
De belanghebbende stelde primair dat de WEV moest worden bepaald op basis van een 'nagebootste sluiting', alsof nieuwe polissen met dezelfde rechten op die datum zouden worden afgesloten, inclusief de volledige kostenopslag. Subsidiair voerde hij aan dat bij een fictieve verkoop van de bestaande polissen bijkomende transactiekosten in aanmerking moesten worden genomen.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de kostenopslag niet volledig onderdeel uitmaakt van de WEV, maar dat een deel van de vóór 2001 betaalde kosten pro rato kan worden geactiveerd en afgeschreven. Het Hof wees het primaire standpunt van de belanghebbende af en ging niet in op de subsidiaire stelling over bijkomende kosten.
De Hoge Raad bevestigt dat de WEV moet worden bepaald op basis van de waarde die een derde zou betalen voor het ongewijzigde vermogensbestanddeel, waarbij de fictie van een nieuwe polis niet passend is. De Raad stelt dat de belanghebbende onvoldoende concreet heeft gemaakt dat bijkomende transactiekosten daadwerkelijk zouden optreden, zodat het Hof terecht aan die stelling voorbij is gegaan. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de kostenopslag niet volledig in de waarde in het economische verkeer wordt meegenomen.