ECLI:NL:PHR:2012:BX5636
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling effectenportefeuille na beëindiging samenwoning zonder gemeenschap van goederen
Partijen hadden van 1980 tot 2004 een affectieve relatie en samenwoning zonder geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract. De man kocht in 1989 twee panden die hij aan de vrouw verkocht; deze panden en een restaurant werden later met aanzienlijke overwaarde verkocht. De opbrengst werd deels gestort op effectenrekeningen die op naam van beide partijen stonden.
De man vorderde na beëindiging van de samenwoning de helft van de waarde van de effectenportefeuille en effectenrekening, stellende dat deze gemeenschappelijk vermogen vormden. De vrouw stelde dat het vermogen persoonlijk toebehoorde aan haar. De rechtbank oordeelde dat sprake was van gemeenschappelijk eigendom en bepaalde een verdeling.
Het hof vernietigde dit oordeel en stelde dat geen gemeenschap van goederen was overeengekomen, dat de overwaarde van de panden en het restaurant aan de vrouw toebehoorde en dat de effectenrekeningen mede op haar naam geen gemeenschappelijk eigendom vormden. De man stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat de tenaamstelling van effectenrekeningen niet doorslaggevend is voor het bepalen van eigendom, mede vanwege de bijzondere aard van effectenportefeuilles en het systeem van giraal effectenverkeer. De financiering uit het vermogen van de vrouw en het ontbreken van een overeenkomst tot gemeenschap zijn bepalend. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank met verbetering van gronden.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de effectenportefeuilles niet gemeenschappelijk zijn en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank dat de effecten aan de vrouw toebehoren.