Conclusie
Land),
Stichting).
1.Feiten
tussenvonnis, ook wel
TV). [1]
2.Procesverloop
In eerste aanleg
gerecht) een procedure tegen de Stichting aanhangig gemaakt. Het Land heeft, samengevat, gevorderd de Stichting te veroordelen om (i) NAƒ 21.694.310 aan “overtollige reserves” aan het Land af te dragen (met rente) en (ii) ieder kalenderjaar aan het Land opgaaf te doen van alle door haar geïnde gelden en operationele kosten over de afgelopen boekjaren waarover niet is afgerekend met het Land, en een eventueel positief saldo aan het Land af te dragen.
hof) hoger beroep ingesteld van het vonnis van 8 november 2021.
BWC):
SOAB). De advocaten van partijen hebben pleitnotities overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. [6]
eindvonnis, ook wel
EV) [7] heeft het hof het vonnis van 8 november 2021 bevestigd. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen, met “BW” weer doelend op het BWC:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Statuut). Dit komt erop neer dat min of meer gelijkluidende wetgeving op onder meer het terrein van “burgerlijk en handelsrecht” op dezelfde wijze wordt uitgelegd, tenzij uitdrukkelijk voor een afwijkende wettelijke regeling is gekozen. [9]
aanvullendewerking van de redelijkheid en billijkheid. Uit dien hoofde kan in een concreet geval voor een onder het bereik van deze bepaling vallende actor een extra verplichting gelden (dus voortvloeiend uit deze redelijkheid en billijkheid, oftewel ongeschreven recht), bovenop zijn reguliere wettelijke en statutaire plichten. Of zo’n extra verplichting bestaat, is uiteindelijk ter beoordeling aan de rechter met inachtneming van de gegeven omstandigheden.
dient te beogen haar statutaire doel te verwezenlijken. Daarbovenop schrijft artikel 2:285 lid 1 BW Pro voor dat het vermogen van een stichting slechts mag worden besteed overeenkomstig de in het statutaire doel aangeduide bestemming. Voor het vermogen van een stichting geldt dus een bestedingsbeperking die het gevolg is van de normerende werking van het statutaire doel.
Daarbij is van belang dat het statutaire doel van een stichting meestal concreet en precies door de oprichter(s) is omschreven. Het statutaire stichtingsdoel is doorgaans scherper geformuleerd dan de vage statutaire doelen van een nv of bv. Het statutaire doel van een stichting bestaat vaak uit het bevorderen van een zwaarwegend extern belang, zoals het betrachten van liefdadigheid jegens behoeftige personen, het beschermen van een vennootschap tegen een vijandelijke overname, het beheren van aandelen ten behoeve van anderen enzovoort. Als gevolg hiervan geeft het statutaire doel van een stichting vaak een gerichte taakopdracht aan de functionarissen van de stichting. Ook is het statutaire doel leidraad voor de toetsing van hun handelen door toezichthouders en de rechter. Het toekennen van een groot gewicht aan het statutaire doel geeft de stichting in vergelijking met andere rechtspersoonsvormen, zoals de nv/bv, een eigen profiel.
Het grote gewicht van de statutaire doelomschrijving heeft tot gevolg dat dit het belang van de stichting en van de met haar verbonden onderneming of organisatie en ook de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW Pro kleurt. Het belang van de stichting en de redelijkheid en billijkheid dienen in het licht van [het] statutaire doel ingevuld te worden. Bij stichtingen hangen de statutaire doelomschrijving, het belang van de stichting en de redelijkheid en billijkheid met elkaar samen. Het zijn in elkaar overlopende begrippen. Bij kapitaalvennootschappen is die samenhang in mindere mate aanwezig.
(…)
Het belang van de stichting en daarmee het statutaire doel, dat immers het belang van de stichting sterk bepaalt, weegt via de toepassing van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW Pro doorgaans bij het uitoefenen van bevoegdheden zwaar.” [22] [zonder verwijzingen, A-G]
beperkendewerking van de redelijkheid en billijkheid. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat deze redelijkheid en billijkheid in een concreet geval, gelet op de bijzondere omstandigheden daarvan, prioriteit kán hebben boven hetgeen zou volgen uit een in deze bepaling bedoelde regel of beslissing. Dat de drempel voor het langs deze weg in een concreet geval buiten toepassing laten van zo’n regel of beslissing (deze geldt dan dus niet) een hoge is, blijkt uit de daarvoor geldende eis van onaanvaardbaarheid. [23]
Kadasterlandsverordening uit 1938. De Kadasterlandsverordening uit 1938 maakt géén melding van de Stichting. Zij maakt, als gezegd, wel melding van de “Dienst van het Kadaster”.
Kadasterbesluit uit 2006). [85] Daarin wordt onder andere het volgende vermeld:
BIE) is verzelfstandigd. Het BIE is, anders dan de Dienst Kadasterwezen en de Dienst Hypotheekwezen via de Stichting, verzelfstandigd in de vorm van een publiekrechtelijke rechtspersoon (evenmin een ambtelijke dienst dus). De daarop betrekking hebbende, uit 2000 daterende Regeling Bureau Intellectuele Eigendom [101] bepaalt (i) dat het BIE zijn middelen uitsluitend gebruikt om kosten te dekken en bevoegd is om met goedkeuring van de minister een reservefonds en een bestemmingsreserve te vormen (art. 10). Alsmede (ii) dat indien door het BIE over een boekjaar winst gemaakt wordt, dit, na aftrek van de bedragen die bestemd zijn voor een eventueel gevormd reservefonds of bestemmingsreserve, in ’s Lands kas wordt gestort (art. 11). Bij de verzelfstandiging van het BIE zijn dus welbewust wezenlijk andere keuzes gemaakt dan bij de verzelfstandiging van de Dienst Kadasterwezen en de Dienst Hypotheekwezen via de Stichting. Voor laatstgenoemde verzelfstandiging heb ik nergens enige regeling aangetroffen die vergelijkbaar is met bepaling (i) en/of bepaling (ii) hiervoor inzake het BIE. Partijen hebben overigens ook niet gewezen op het bestaan van zo’n regeling. Het felle contrast wordt in het netvlies getekend en legt m.i. aanzienlijk gewicht in de schaal ten nadele van het Land.
Meerenberg-arrest uit 1879 [104] overwoog de Hoge Raad in essentie dat, gelet op het stelsel van de Grondwet van 1848, de Koning geen algemene bevoegdheid had tot het uitvaardigen van algemene maatregelen van bestuur (hierna:
AMvB’s). Hierbij ging de Hoge Raad uit van het principe dat “het niet de vraag is of [een] bevoegdheid den Koning door eenige uitdrukkelijke bepaling ontzegd, maar of zij hem toegekend zij, en alzoo steunt hetzij op eenig bestanddeel van ’s Konings in de Grondwet omschreven magt, hetzij op eenige directe of indirecte delegatie des wetgevers, in verband met ’s Konings bevoegdheid als uitvoerende magt.” AMvB’s behoefden dus een wettelijke grondslag.
Gw) is, een artikel dat stamt uit 1887 [105] en dat nadien is gewijzigd en vernummerd, wordt bepaald dat AMvB’s bij koninklijk besluit worden vastgesteld en dat voorschriften, door straffen te handhaven, daarin alleen worden gegeven krachtens de wet. [106] Deze bepaling, die dus binnen zekere grenzen voorziet in de mogelijkheid van AMvB’s houdende algemeen verbindende voorschriften zonder wettelijke grondslag, kwam voort uit de wens om de resultante van het
Meerenberg-arrest enigszins te corrigeren. [107] In de praktijk wordt soms gebruikgemaakt van zulke ‘zelfstandige AMvB’s’. [108]
Staatsregeling Curaçao), die per 10 oktober 2010 in werking is getreden, [112] met dien verstande dat het daarin de regering is die deze bevoegdheid toekomt. [113]
mogelijkheidvan zo’n wetgevingsmaatregel. M.i. is zo’n democratisch gelegitimeerde route intussen wel de aangewezen route (de ‘koninklijke weg’, zo men wil), zeker nu, als gezegd, de oprichting van de Stichting en de statuteninhoud destijds goedkeuring kregen van de eilandsraad. En dit is dus ook een wezenlijk andere route dan bijvoorbeeld het onderhavige beroep van ’s Lands regering (dus niet: ’s Lands wetgever) op art. 2:7 BWC Pro, waar het in de bestaande situatie en tegen de zin van de Stichting wijziging wenst aan te brengen in de wijze waarop zij omgaat met haar reserves. Het is, gezien voornoemde mogelijkheid, dus niet zo dat afwijzing van de vorderingen van het Land per definitie betekent dat de litigieuze reserves integraal in het vermogen van de Stichting zullen blijven (nog daargelaten dat de Stichting met kracht van argumenten heeft betoogd dat die reserves nou niet doelloos in het vermogen van de Stichting aanwezig zijn, zie onder 3.107 hiervoor).
in totaliteit bezien, die kwalificatie van zijn ‘verzoek’ als “redelijk”, en daarmee kennelijk diens beroep op art. 2:7 lid 1 BWC Pro als grondslag, te kunnen rechtvaardigen. [165] Daarbij verdient nog opmerking dat de onderhavige reserves van de Stichting, anders dan het Land suggereert, [166] dus geenszins vallen aan te merken als “overtollig”. [167] Zulks dus gelet op niet noemenswaardig weersproken stellingen van de Stichting en de werking, in dat verband, van art. 128 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao (hierna: het
RvC) (pendant van art. 149 Rv Pro in het land Nederland). Zie onder 3.107 hiervoor.
Subonderdeel 1.1bestrijdt vanuit diverse invalshoeken ’s hofs oordeel in rov. 2.8 TV dat in beginsel de vordering op de grondslag van art. 2:7 BWC Pro lijkt af te stuiten op de regel dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid geen zelfstandige bron van verbintenissen kan vormen.
Subonderdeel 1.2doet hetzelfde voor ’s hofs oordeel in rov. 2.8 TV dat het aannemen van een verbintenis van de Stichting om aan het Land te betalen ook niet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden gebaseerd.
subonderdeel 1.1.
verbintenisvan de Stichting tot afdracht en betaling, terwijl het Land slechts heeft gesteld dat sprake is van een daaruit voortvloeiende positieve
rechtsplichtzonder deze tevens als verbintenis te kwalificeren.
subonderdeel 1.2.
Subonderdeel 1.3bestrijdt vanuit diverse invalshoeken ’s hofs oordeel in rov. 3.1, tweede zin EV dat voor zover het in rov. 2.8 TV ruimte heeft gelaten voor het oordeel dat de vorderingen in dit geval met succes kunnen worden gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:7 BWC Pro, het hof nu [177] overweegt dat het Land onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat zijn vorderingen met succes op die grondslag kunnen worden gebaseerd.
lid 1BWC (dit bedoelt het ook in het bestreden oordeel). Te dien aanzien wijst het hof - tegen de achtergrond van rov. 2.4-2.7 TV - op “de regel dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid geen zelfstandige bron van verbintenissen kan vormen”, waarop ’s Lands vorderingen op de grondslag van art. 2:7 BWC Pro “[i]n beginsel” lijken af te stuiten. Dit laat in ’s hofs opvatting dus ruimte voor een ander oordeel, voor zover het Land erin slaagt een ter zake aanvullende bron aan te wijzen, zodat het niet enkel draait om die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daaraan voegt het hof nog toe, onverkort (“terwijl”, etc.), dat “het aannemen van een verbintenis van de Stichting om aan het Land te betalen” evenmin op lid 2 van deze bepaling kan worden gebaseerd. Hier zit geen ruimte in.
tot aan hettussenvonnis” al onvoldoende had gesteld, strandt het derhalve op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Dit behoeft geen verdere toelichting.
tijdensde mondelinge behandeling” onvoldoende heeft gesteld. Daartoe beroept het subonderdeel zich immers slechts, en zonder verdere uitwerking, op: (i) rov. 2.9 TV; (ii) de redenen om (in aansluiting op de stellingen en suggesties van het Land) [182] een mondelinge behandeling te bevelen, wat kennelijk ook ziet op rov. 2.9 TV; (iii) wat van het Land in relatie tot zijn stelplicht nog verwacht mocht worden; en (iv) wat het Land blijkens de akte overlegging productie tevens toelichting ter comparitie naar voren heeft gebracht. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
waaromdat wat het Land heeft gesteld onvoldoende is om te kunnen aannemen dat zijn vorderingen met succes op de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:7 BWC Pro kunnen worden gebaseerd. Daartoe wijst de klacht op (i) rov. 2.9, eerste t/m vijfde zin TV en (ii) hetgeen het Land aan die vorderingen ten grondslag heeft gelegd. [188] Aldus zou het bestreden oordeel niet voldoen aan het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Deze klacht, die erop is ingestoken dat de Stichting op basis van enkel art. 2:7 lid 1 BWC Pro in casu een positieve rechtsplicht heeft tot afdracht en betaling van de overtollige reserves aan het Land (en dat “aan enig daarbij geldend uitkeringsverbod, indien en voor zover überhaupt van toepassing”, voorbij dient te worden gegaan op basis van art. 2:7 lid 2 BWC Pro), ziet voorbij aan wat het hof oordeelt in rov. 2.8 TV en rov. 3.1 EV inzake de door het Land aangevoerde grondslag van art. 2:7 BWC Pro. Zie onder 3.140-3.142 hiervoor. Bij die stand van zaken gaf noch (i) noch (ii) het hof reden het bestreden oordeel nader te motiveren. Overigens bestreek ik (i) en (ii) onder 3.101-3.112 hiervoor. Daarover hoef ik hier niet in herhaling te treden.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof in het bestreden oordeel miskent dat uit de toepasselijke publiekrechtelijke wet- en regelgeving [192] niet voortvloeit dat de door de Stichting geïnde gelden tot haar vermogen zijn gaan behoren.
Subonderdeel 2.2komt erop neer dat het hof in dit verband miskent dat de
onverbindendheidvan het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006, [193] tot rechtsgevolg heeft dat het op de voet van art. 3 van Pro de statuten van de Stichting gevormde vermogen (althans de door de Stichting geïnde gelden) niet aan haar toekomt (toekomen), maar aan het Land. Daaraan doet, naar het hof ook miskent, niet af wat het overweegt in rov. 3.3, voorlaatste en laatste zin EV. Bovendien miskent het hof met die voorlaatste zin, kort gezegd, dat de daarin bedoelde strekking er wel (mede) is of kan zijn.
Subonderdeel 2.3bevat enkel een voortbouwklacht: bij het slagen van subonderdeel 2.2 kan ook rov. 3.4, eerste t/m derde zin EV niet in stand blijven, omdat dit voortbouwt op rov. 3.3, derde t/m vijfde zin EV waartegen subonderdeel 2.2 zich richt.
Subonderdeel 2.4klaagt dat indien en voor zover het hof met rov. 3.3, derde zin EV
nietdoelt op het door het Land aan het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog ten grondslag gelegde standpunt “dat het Kadasterbesluit 2000 in strijd is met de Kadasterlandsverordening en onverbindend is”, ‘s hofs verwerping van dat betoog in het licht van dat standpunt onvoldoende is gemotiveerd. Dat “dan” sprake is van een onvoldoende motivering “geldt te meer” nu de legal opinion van prof. Van Rijn steun biedt aan dat standpunt.
Subonderdeel 2.5voert nog aan dat rov. 3.2-3.4 EV ook onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat het hof bij de verwerping van het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog van het Land niet (kenbaar) heeft betrokken het standpunt van het Land, kort gezegd, dat “het Kadasterbesluit 2000” zo moet worden
uitgelegddat het hooguit kan zien op een delegatie van de bevoegdheid tot het stellen van tarieven (en eventueel op inning van de kosten daarvan
namens/ten behoeve vanhet Land), en dus niet kan strekken tot een overdracht van (andere, meeromvattende) taken en bevoegdheden van het Land aan de Stichting. Dat sprake is van een onvoldoende motivering “geldt te meer” nu de legal opinion van prof. Van Rijn “in dit opzicht”, anders dan het hof blijkens rov. 3.4, vierde t/m zesde zin EV aanneemt, meer dan beperkte steun biedt aan het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog van het Land.
subonderdeel 2.1.
subonderdeel 2.2.
subonderdeel 2.3.
subonderdeel 2.4.
subonderdeel 2.5.
uitleg(van het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006) draaiend standpunt als bedoeld in het subonderdeel, en dat dit niet onbegrijpelijk is. Zie onder 3.159 en 3.161 hiervoor. Kortom, bij de verwerping van dat betoog betrekt het hof dit standpunt niet en hoefde het dat ook niet te doen. Het hof gaat in rov. 3.4, vierde t/m zesde zin EV dus ook niet uit van passages in de legal opinion van prof. Van Rijn die zien op zo’n uitlegkwestie. En het hof hoefde, gezien het voorgaande, die passages ook niet te betrekken bij diens verwerping in rov. 3.3-3.4 EV van voornoemde betoog. Zie overigens ook onder 3.169 hiervoor over rov. 3.4 EV. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.
Subonderdeel 3.1klaagt dat ’s hofs uitleg van het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006, rechtens onjuist is. Art. 4 van Pro dit besluit moet, conform zijn tekst en gelet op de inhoud en strekking van (art. 3 van Pro) de Kadasterlandsverordening uit 1938, [198] zo worden uitgelegd dat aanvragers de bedoelde betalingen voor grensuitzettingen bij voortuitbetaling aan het Land verschuldigd zijn en niet aan de Stichting.
Subonderdeel 3.2klaagt over rov. 2.7, laatste alinea TV. Zij komt erop neer dat indien en voor zover het hof dit mede ten grondslag heeft gelegd aan zijn bevestiging van de afwijzing van de vorderingen van het Land, het hof miskent wat bij grief 5 door het Land is aangevoerd en dat voor toewijzing van die vorderingen niet is vereist dat het Land het bedrag noemt dat volgens hem zonder grondslag is geïnd. In ieder geval is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd “in het licht van het voorgaande en van hetgeen het Land achter II heeft gevorderd.”
subonderdeel 3.1.
subonderdeel 3.2.
subonderdeel 4.1is ’s hofs oordeel in rov. 2.6 TV, waarbij het vervolgens blijft in rov. 3.1, eerste zin EV, rechtens onjuist en/of niet naar behoren gemotiveerd op de gronden vermeld in de onderdelen 2 en 3. De daarin opgenomen klachten over de uitleg en onverbindendheid van “het Kadasterbesluit 2000” zijn (mutatis mutandis) van overeenkomstige toepassing op dat oordeel. Uit het in die onderdelen gestelde volgt dat indien de reservevorming bij de Stichting als een verrijking ten koste van het Land kan worden aangemerkt, wat het Land heeft gesteld en het hof in het midden laat, die verrijking haar rechtvaardiging niet, ook niet in beginsel, vindt in “de combinatie van het Kadasterbesluit 2000 en de statuten van de Stichting”.
Subonderdeel 4.2bestrijdt vanuit diverse invalshoeken het oordeel in rov. 3.1, tweede zin EV dat voor zover het hof in rov. 2.6 TV ruimte heeft gelaten voor het oordeel dat de vorderingen in dit geval met succes kunnen worden gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, het hof nu [199] overweegt dat het Land onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat zijn vorderingen met succes op die grondslag kunnen worden gebaseerd.
subonderdeel 4.1.
subonderdeel 4.2.
waaromdat wat het Land heeft gesteld onvoldoende is om te kunnen aannemen dat zijn vorderingen met succes op ongerechtvaardigde verrijking kunnen worden gebaseerd. Daartoe wijst de klacht op (i) rov. 2.9, eerste t/m vijfde zin TV en (ii) hetgeen het Land aan die vorderingen ten grondslag heeft gelegd. [200] Aldus zou ook het bestreden oordeel niet voldoen aan het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging. M.i. gaat ook dit een en ander niet op. Naar volgt uit 3.141 hiervoor komt het voor het hof wat betreft ongerechtvaardigde verrijking in het eindvonnis (specifiek rov. 3.1, tweede zin EV) dus aan op de vraag of dat wat het Land heeft aangevoerd na het tussenvonnis, specifiek in het kader van de mondelinge behandeling in hoger beroep, aanleiding kan geven voor het oordeel dat de in rov. 2.9, eerste zin TV bedoelde situatie [201] zodanig in de lijn der verwachting ligt dat deze niet langer slechts hypothetisch-toekomstig is. Het hof beantwoordt deze vraag dus ontkennend in rov. 3.1, tweede zin EV. [202] Dit oordeel moet uiteraard tevens worden bezien in het licht van het partijdebat na het tussenvonnis. [203] Lezing daarvan bevestigt dat dit oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. [204] Bij die stand van zaken gaf noch (i) noch (ii) het hof reden het bestreden oordeel nader te motiveren. Daaraan ziet het subonderdeel voorbij.