ECLI:NL:PHR:2012:BX5638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring vordering schadevergoeding na onrechtmatige overheidsdaad en strafrechtelijke vervolging
In deze zaak vorderen eiser, zijn echtgenote en Rampart Canada schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige overheidsdaad in het kader van strafrechtelijke vervolging en toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. De verjaring van deze vorderingen staat centraal, met name de vraag wanneer de verjaringstermijn van vijf jaar volgens art. 3:310 lid 1 BW Pro begint te lopen.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn begint te lopen op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit vereist geen absolute zekerheid over de juridische kwalificatie van de feiten, maar wel voldoende zekerheid omtrent het schadeveroorzakende element. De Hoge Raad oordeelt dat eiser en zijn echtgenote al in 1998, tijdens of kort na de voorlopige hechtenis, daadwerkelijk bekend waren met hun schade en de aansprakelijke persoon, zodat de verjaringstermijn toen is gestart.
Daarnaast is besproken of de verjaring is gestuit door het overleggen van een affidavit in een procedure ex art. 89 Sv Pro. Het hof oordeelde dat dit document niet los van die procedure als stuitingshandeling kan worden beschouwd, hetgeen door de Hoge Raad wordt bevestigd. Ook is geoordeeld dat de verjaringstermijn van vijf jaar geen onrechtmatige beperking van het recht op toegang tot de rechter vormt, mede omdat de verjaring eenvoudig kan worden gestuit.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard en dat de Staat niet aansprakelijk is voor de gevorderde schade.
Uitkomst: De vorderingen tot schadevergoeding wegens onrechtmatige overheidsdaad zijn verjaard en worden afgewezen.