ECLI:NL:PHR:2012:BX7780
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing pachtersvoordeel bij verkoop grond ondanks vervanging door nieuwe grond
De zaak betreft een geschil over de fiscale behandeling van een doorgeschoven pachtersvoordeel bij bedrijfsoverdracht binnen de familie en de daaropvolgende verkoop en vervanging van landbouwgrond door de belanghebbenden.
De vader en oom van de belanghebbenden hadden een pachtersvoordeel gerealiseerd dat via een besluit van de Staatssecretaris was doorgeschoven naar de belanghebbenden. Deze hadden de grond vervolgens verkocht aan een provincie en nieuwe grond aangekocht. De Inspecteur rekende het pachtersvoordeel bij de belastingaanslag tot het inkomen uit werk en woning.
Zowel de Rechtbank als het Hof oordeelden dat het pachtersvoordeel bij verkoop van de grond moet worden belast en dat de ruilgedachte, ruilarresten en herinvesteringsreserve niet van toepassing zijn op het passiefpost-pachtersvoordeel. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de belanghebbenden zich gebonden hebben aan de voorwaarden van het doorschuifbesluit, waaronder afrekening bij vervreemding. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat het eerste en tweede pachtersvoordeel verschillende situaties betreffen.
De Hoge Raad overweegt tevens dat indien de doorschuiving niet op het besluit was gebaseerd, toepassing van de ruilgedachte en herinvesteringsreserve mogelijk zou zijn geweest, maar dat de belanghebbenden zich expliciet hebben verbonden aan afrekening bij vervreemding. De cassatie wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het doorgeschoven pachtersvoordeel bij verkoop van landbouwgrond moet worden belast, ook bij aankoop van vervangende grond.