ECLI:NL:PHR:2012:BX8465
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest ontnemingsvordering wegens onvoldoende motivering redelijke termijn
In deze zaak gaat het om een ontnemingsvordering waarbij het hof aan betrokkene een betalingsverplichting van ruim 2,3 miljoen euro oplegde. De verdediging stelde dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak was overschreden, met name omdat de termijn volgens hen al begon bij de betekening van de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek in oktober 2003, terwijl het hof dit aanvangsmoment stelde op de aankondiging van de ontnemingsvordering in oktober 2004.
Het hof oordeelde dat de lange duur van de ontnemingsprocedure in eerste aanleg niet onredelijk was vanwege de complexiteit en omvang van de zaak, maar erkende wel een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De verdediging vorderde daarom een substantiële korting op het ontnemingsbedrag.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging over het aanvangsmoment van de redelijke termijn. Volgens vaste jurisprudentie begint die termijn zodra de betrokkene redelijkerwijs kan verwachten dat een ontnemingsvordering zal volgen, bijvoorbeeld bij de betekening van de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. Omdat het hof deze motivering heeft nagelaten, vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de betalingsverplichting betreft en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de redelijke termijn en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.